Een geschiedenis der Nederlanden (deel II)

INHOUDSOPGAVE

26. Het herstel van de Nederlandse onafhankelijkheid

(…)

—————————————————————————————————————————–

26. Het herstel van de Nederlandse onafhankelijkheid

Het kan de Nederlandse patriotten, die toch de progressieve stroming in de samenleving vertegenwoordigden, worden aangerekend dat zijn hun oren te veel hebben laten hangen naar de Franse geestverwanten, die naar zou blijken toch ook wat andere aspiraties koesterden. Of het anders kon, is echter een vraag die wel voor altijd onbeantwoord zal blijven (zie par. 23). Niet alleen heeft een revolutie de eigenschap haar eigen kinderen op te eten, ook kan worden gezegd dat zij over het algemeen haar eigen idealen verkwanselt door op de trom van die revolutie te slaan als diezelfde revolutie voorbij is. Wij weten dat van de Russische Revolutie van 1917 en de Cubaanse van 1959, maar ook van de Franse Revolutie van 1789, die – zo men wil – door de eerzucht en de machtshonger van Napoléon Bonaparte gekaapt werd, iets dat inmiddels ook de patriotten was doorgedrongen.

Het gevolg was dat de patriotten voor langere tijd momentum verloren hadden en dat, in de Nederlanden, orangisten hun kans schoon zagen een overigens noodzakelijke orde op zaken te stellen. Tot op zekere hoogte werd het vanuit het perspectief van de patriotten (vanaf nu spreek ik maar van “progressieve of liberale krachten“) van kwaad tot erger: in plaats van een herstel van een erfelijk stadhouderschap kwam er nu een erfelijk koningschap.

Dit werd voorbereid door het Driemanschap van 1813, bestaande uit de aristocraten Van Hogendorp, Van der Duyn van Maasdam en Van Limburg Stirum. Hun succesvolle verrichtingen in de komende anderhalf jaar spelen zich af tegen de achtergrond van de nog niet geheel verslagen Napoléon. Tegen dezelfde achtergrond vinden de “pan-Europese” besprekingen plaats van het Congres van Wenen (zie verderop). Snel handelen is geboden om Napoléon en de Fransen niet alsnog de overhand te laten krijgen.

Russische en Pruisische troepen hebben in november 1813 al een groot deel van de noordelijke Nederlanden onder controle. Voor de Fransen wordt de situatie onhoudbaar als op 15 november in Amsterdam hevige rellen uitbreken [die van de Haarlemmer(poort)buurt naar het oostelijke Kattenburg overslaan] en leiden tot het ijlingse vertrek van de Franse gouverneur-generaal van de “Hollandse departementen”, Charles-François Lebrun (1739-1824) op 16 november, met in zijn kielzog de Franse troepen. Op 17 november wordt het Driemanschap opgericht, dat op 20 en 21 november proclamaties doet uitgaan betreffende de installatie van een Algemeen Bestuur en het uitroepen van het Soeverein Vorstendom der Verenigde Nederlanden: “Er is een Algemeen Bestuur der Verenigde Nederlanden. Alle landgenoten worden ontslagen van hun eed van trouw aan de Keizer der Fransen“. Een brief wordt verzonden naar de in Engeland verblijvende prins van Oranje, Willem Frederik (1772-1843), met de uitnodiging naar Den Haag te komen en de titel van vorst te accepteren, waarin hij toestemt (zijn vader, de voormalige stadhouder Willem V is in 1806 overleden en eigenlijk zijn hij en zijn zoon onder het brede volk al min of meer in vergetelheid geraakt).

Willem Frederik landt met een sloep vanaf het Britse fregat The Warrior op 30 november op het strand van Scheveningen. Op 2 december wordt hij, overigens zonder formele internationale erkenning, als soeverein vorst geïnstalleerd (informeel is er al het nodige voorbereid, zodat het risico op een zeperd beperkt bleef).

Het Soeverein Vorstendom omvat vooralsnog alleen het grondgebied van het voormalige Koninkrijk Holland (zonder Oost-Friesland, maar met Walcheren, de Bevelanden, Staats-Brabant, de Bommelerwaard, het Land van Maas en Waal en Rijk van Nijmegen). Een commissie onder voorzitterschap van Van Hogendorp stelt een nieuwe Grondwet op die op 29 maart 1814 door een Grote Vergadering representerende de Verenigde Nederlanden wordt goedgekeurd. Over de representativiteit van deze vergadering kan men twijfelen: de leden zijn door de vorst zelf aangewezen [ 1 ]. Het mag nauwelijks verwondering wekken dat de Grondwet daardoor geheel in het teken staat van een centralistisch bestuur met grote macht voor de vorst en een tandeloos parlement, dat nu weer de uit één kamer bestaande Staten Generaal wordt genoemd. De vrijheid van godsdienst en de burgerlijke rechten die al in de Franse tijd waren vastgelegd, blijven gehandhaafd. Ook wordt het onderwijs als “aanhoudend onderwerp van de zorg der regering” vastgelegd.

Na de (eerste) troonsafstand van Napoléon op 6 april 1814 en het herstel van de Bourbonmonarchie in Frankrijk onder Lodewijk XVIII werd bij het Eerste Verdrag van Parijs (30 mei, nog overeengekomen met het Franse Keizerrijk van Napoléon) bepaald dat de op Frankrijk veroverde gebieden vooralsnog zouden worden bestuurd als Generaal-Gouvernementen [ 2 ]. Eén daarvan was het Generaal-Gouvernement België (Oostenrijk had geen belangstelling meer voor de zuidelijke Nederlanden), waarvan op 1 augustus het gouverneurschap toeviel aan Willem Frederik, nu bekend als Willem I [ 3 ].

Kort daarop komen vertegenwoordigers van twaalf Europese staten [ 4 ] voor het eerst te Wenen bijeen. Het doel van dit Congres van Wenen is de staatkundige herordening en de institutionele reconstructie van Europa. Het wordt gedomineerd door aristocratische vertegenwoordigers van min of meer absolutistische regimes, die uit zijn op de bestendiging of uitbreiding van hun macht en niets moeten hebben van liberale en nationalistische ideeën. Hoewel een aantal “haviken” dat wel wensen, komt het echter niet tot een algehele restauratie van de anciens régimes, daar een groot aantal door de revolutie verworven rechten (het Congres noemt het “praktische verbeteringen“) reeds bij de bevolking zijn ingesleten en terugdraaiing ervan alleen maar olie op het vuur zou gooien. De leidende beginselen van het Congres zijn vereffening van wederzijdse verliezen en winsten, de legitimiteit van de te bereiken staatsordening, het voorkomen van nieuwe Franse expansie door de totstandkoming van een cordon sanitaire van sterke staten om Frankrijk heen en zo de vestiging van een duurzaam, Europees machtsevenwicht. De vereniging van de noordelijke en de zuidelijke Nederlanden past in dit concept. De tijdelijke terugkeer van Napoléon (de Honderd Dagen tussen 26 februari en 22 juni 1815) versterkt dat nog eens. Bij het Tweede Verdrag van Parijs, dat tevens het slotprotocol van het Weense Congres is (20 november, nu overeengekomen met het herstelde Koninkrijk Frankrijk van Lodewijk XVIII), wordt Frankrijk nog meer aan banden gelegd.

Men kan de uitkomsten van het Congres negatief beschouwen als een overwinning van reactionaire krachten, maar een meer positief effect was dat de gemaakte afspraken meer dan veertig jaar standhielden en dat het continent in die periode op de revolutionaire jaren 1830 en 1848 na betrekkelijke vrede en stabiliteit kende (uitgerekend de Belgische Revolutie van 1830 is daar een uitzondering op).

Naar die vrede en stabiliteit zag het niet uit na de zich vooral in achterkamertjes afspelende, gesplitste beraadslagingen tijdens het Congres, dat tussen de pracht en praal van over straat paraderende hoogwaardigheidsbekleders, de bals en feestpartijen door maar één keer plenair bijeenkwam: “Hoe loopt het Congres? Het Congres loopt niet, het danst!” of: “Dies ist ein Kriegskongress, kein Friedenskongress“, of: “Der Kongress gleicht einem Jahrmarkt in einer kleinen Stadt, wo jeder sein Vieh hintreibt, es zu verkaufen und zu vertauschen“, of tenslotte: “Zij dronken een glas, zij deden een pils (of: pisen lieten alles zoals het was“.

Vier grote ego’s met tegenstrijdige ideeën en belangen voerden de hoogste toon. Daar was in de eerste plaats de Oostenrijkse diplomaat Klemens Wenzel Lothar von Metternich (1773-1859), eerlijk, elegant en ijdel, die een rotsvast geloof koesterde in een “natuurlijke orde” van religie, monarchie en hiërarchie en de terreinen van politiek en economie volstrekt onverenigbaar achtte. Tegenover hem stelde zich de Franse diplomaat Charles-Maurice de Talleyrand (1754-1838), die uiteraard een verdedigende positie innam en als dienaar van verschillende Franse regimes een meester in opportunisme was. Zijn doel was om zo veel mogelijk van de Franse boedel te redden. De diplomaat van het Verenigd Koninkrijk, de allerwegen als arrogant ervaren minister van buitenlandse zaken Robert Stewart, lord Castlereagh (1769-1822), was “the pain in the ass” voor alle anderen. Hij genoot nog minder dan het toch al broze vertrouwen, daar het maar niet duidelijk wilde worden of hij nu zijn land of zijn persoonlijke belang diende. Daarnaast betoonde hij zich volstrekt gevoelloos: “Hij hakte bestaande landen in stukken en schoof met mensen als vee“, schreef een waarnemer. Tenslotte was er nog de Russische tsaar in eigen persoon, Alexander I Pavlovitsj (1777-1825), die zichzelf “de Gezegende” liet noemen en overtuigd was van zijn goddelijke missie, wat door de anderen als een bedreiging voor de wereldvrede werd gezien.

Op een hoger plan werd het Congres geteisterd door een diep wantrouwen tussen het Verenigd Koninkrijk en Rusland, de oude rivaliteit tussen Oostenrijk en Pruisen en het Franse revanchisme.

De wonderlijke eensluidendheid die uit deze heksenketel voortkwam, pakte voor Nederland (vertegenwoordigd door de Duitse diplomaat Hans Christoph von Gagern en de Nederlandse baron Van Spaen de Voorstonde), althans voor Willem I, voordelig uit. Nadat hem op 1 november 1814 al het bestuur over een deel van de zuidelijke Nederlanden (het Gouvernement België) in de schoot geworpen was, installeerde hij twee weken later zijn tweede regeringszetel (naast Den Haag) te Brussel.

Tijdens het Weens Congres wordt op 13 februari 1815 definitief overeengekomen dat de Nederlanden in de nabije toekomst in één koninkrijk zullen worden verenigd. Willem wacht de verdere besluitvorming van het Congres niet af als Napoléon tijdens zijn Honderd Dagen akelig dichtbij gekomen is.  Op 16 maart roept hij zich uit tot “Koning der Nederlanden“, wat op 9 mei bij de voorlezing van de slotverklaring door het Congres wordt aanvaard. Inmiddels is er weer een Grondwetscommissie aan de slag gegaan, wier voorstel op 24 augustus door een vergadering van notabelen wordt “goedgekeurd”.

Op die “goedkeuring” valt nogal wat af te dingen. Van de 1604 door de koning zelf opgeroepen notabelen verschijnen er (onder andere door overlijden) 1323 ter stemming. Een meerderheid van 796 wijst het Grondwetsvoorstel af (veel van hen, maar lang niet allemaal, zijn afkomstig uit de zuidelijke Nederlanden). Geconfronteerd met deze tegenslag past Willem I een truc toe die schertsend “l’arythmétrique hollandaise“, de “Hollandse rekenkunde” wordt genoemd. Willem, die daarvoor de bevoegdheid heeft, besluit de 281 aanwezigen als voorstemmers te beschouwen en ook 126 tegenstemmers, voornamelijk katholieken, die zelf hebben aangegeven dat hun stem om religieuze redenen was gemotiveerd. Dit achtte de koning in strijd met de scheiding van kerk en staat en aldus werden deze 126 ook geacht te hebben voorgestemd …

Onder dit gesternte trad op 16 september 1815 de eerste regering van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden aan.

[ 1 ] Van de 600 door Willem aangewezen leden kwamen er 474 opdagen. Slechts 26 leden, meest katholieken, stemden tegen het Grondwetsvoorstel.
[ 2 ] Deze Generaal-Gouvernementen waren in februari 1814 in opdracht van de “Hoge Geallieerde Machten” (Rusland, Oostenrijk, Pruisen en het Verenigd Koninkrijk) door een “Centrale Commissie” onder leiding van Heinrich Karl Reichsfreiherr vom und zum Stein (kortweg baron Vom Stein, 1757-1831) ingesteld omdat er op dat moment nog geen overeenstemming was over de verdeling van de op Frankrijk heroverde gebieden tussen de geallieerde machten.
[ 3 ] Dit vloeide voort uit het geheime “Londenprotocol” van 21 juni 1814, waarbij het Verenigd Koninkrijk, Oostenrijk, Rusland en Pruisen al overeenkwamen met de vereniging van de noordelijke en zuidelijke Nederlanden.
[ 4 ] Deze twaalf waren het Keizerrijk Oostenrijk, het Keizerrijk Rusland, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Ierland, het Koninkrijk Pruisen, het Hertogdom Saksen-Weimar-Eisenach, het Koninkrijk Hannover, het Koninkrijk Württemberg, het Koninkrijk Frankrijk (dat van Lodewijk XVIII), de Kerkelijke Staat, de Verenigde Nederlanden en de Zwitserse Confederatie. Opmerkelijk is de afwezigheid van het Ottomaanse Rijk, dat sinds 1812 in crisis verkeerde, wat zijn schaduw wierp op de toekomstige ontwikkelingen op het Balkanschiereiland.

Een geschiedenis der Nederlanden (deel I, par. 1 – 25)

Deze compilatie is een bundeling van historische sprokkels waarmee ik sinds 27 oktober 2016 op mijn Facebookpagina ben begonnen. Het is een onvolledige en persoonlijke interpretatie van de loop der gebeurtenissen door de tijden heen, deels chronologisch, deels thematisch en zoekend naar het antwoord op de vraag waarom een geschiedenis der Nederlanden als afzonderlijk thema kan worden beschouwd. Met andere woorden: wat is de oorsprong van de Nederlandse identiteit, zo die al bestaat.
—————————————————————————————————————————–

INHOUDSOPGAVE

1. Het einde van de Middeleeuwen: een inleiding
2. Terug naar de kern van religie: de Moderne Devotie
3. De opkomst van de steden en de burgerij
4. Hoe laagveen en meer de democratie bevorderden: de waterschappen
5. Bourgondiërs, renaissance en humanisme
6. De Reformatie: meer dan een geloofskwestie alleen
7. Karel V: gemengde gevoelens bij een grote keizer
8. Een opstand wordt steeds onvermijdelijker
9. Calvinisten en wederdopers
10. Van de bloedraad tot de scheuring der Nederlanden
11. Uit nood wordt goud gebaard en uit goud gif
12. Machtsstrijd, intolerantie en onafhankelijkheid
13. De Republiek tussen Engeland en Frankrijk
14. Het Rampjaar 1672: de toedracht
15. Het Rampjaar 1672 en de Hollandse Oorlog (1672-1679)
16. De Gouden Eeuw: bloei in woelige tijden
17. De teloorgang van de Republiek en een “Glorious Revolution”
18. De Republiek worstelt: het Tweede Stadhouderloze Tijdperk (1702-1747)
19. Een nieuwe tijd breekt aan (1747-1785)
20. Een Europese droom: van het volk, door het volk, voor het volk
21. De patriotten roeren zich (1781-1795)
22. Patriotten en Fransen tegen Oranje
23. De Bataafse Republiek en de eerste Grondwet
24. De Bataafse Republiek: van je vrienden moet je het hebben
25. Schimmelpenninck, Lodewijk en Napoléon (1805-1813)

( Vervolg in deel II “Een geschiedenis der Nederlanden” )

1. Het einde van de Middeleeuwen: een inleiding

Volgend jaar zal het zeshonderd jaar geleden zijn dat Maarten Luther zijn 95 stellingen over de misstanden in en hervorming van de Rooms-Katholieke Kerk publiceerde. Algemeen wordt dat moment beschouwd als het startschot van de Reformatie: de opkomst van het protestantisme en het einde van de hegemonie van de kerk van Rome in Noord-Europa. Het is natuurlijk niet zo dat de kritiek van Luther zo maar uit de lucht kwam vallen. Er ging een heel voorspel aan vooraf, dat al haarscheurtjes opleverde in de maatschappij-ordening die wij vereenzelvigen met de Middeleeuwen (ruwweg de periode tussen 500 en 1500), het feodale stelsel (al kwam dat pas in de 9e eeuw tot ontwikkeling).

Het aardige van geschiedschrijving is dat er geen einde aan komt. Het is maar net vanuit welke invalshoek je gebeurtenissen in het verleden benadert en interpreteert. Bovendien is het elke keer weer de vraag waar je moet beginnen bij het beschrijven van een historisch ontwikkelingsproces. Dat geldt zeker ook voor het moment waarop men kan spreken over het einde van de Middeleeuwen en het begin van de Reformatie: er is niet één concreet moment voor te geven, het betreft een geleidelijke overgang met wat oprispingen tussendoor, die vaak onterecht als cesuren (breuklijnen, kantelpunten) in de geschiedenis worden gehouden. Hiermee wil ik de aftrap geven voor een verhaal waarin ik graag mijn visie op de gang van zaken uit het verleden verwoord.

Mijn kijk op de geschiedenis van de mensheid is beïnvloed door een paar fundamentele uitgangspunten, die niet per se waar zijn maar – naar ik hoop – wel verdedigbaar:
– de wereld verandert voortdurend: panta rhei, oeden menei, alles beweegt, niets staat stil. Verandering is daarbij niet noodzakelijkerwijs verbetering of vooruitgang. Zo is het maar de vraag of in de beleving van mensen die al lang dood zijn, het welbevinden door de jaren heen is toegenomen. We kunnen het hen niet meer vragen, maar ik denk dat de welzijnsnorm een vrij constante is zolang men geen weet heeft van dat het ook anders of beter kan: wat niet weet, wat niet deert;
– religie is de regel, areligiositeit de uitzondering. Religie is daarbij nog wat anders dan georganiseerde godsdienst. Religie dient twee doelen: het afwenden van het kwaad en het nastreven van verlossing of, zo men wil, verlichting. Er is daarbij ook de onbedwingbare behoefte naar het streven naar zuiverheid;
– de eeuwige speurtocht naar het streven naar een balans tussen de individualiteit en het behoren tot een groep of gemeenschap. Mensen zijn sociale wezens;
– in het westen heeft die speurtocht geleid tot wat sociologen het moderniseringsproces noemen. Dit proces is paradoxaal en moet ook niet verward worden met een vooruitgangsproces. Kenmerken van deze modernisering zijn een toenemende differentiatie in de samenleving en van functies, een voortschrijdende rationalisering (“de onttovering van de wereld”), voortgaande individualisering (van zelfopoffering naar zelfontplooiing) en domesticering (de beteugeling van natuurlijke en lichamelijke krachten).

Voor mijn geschiedenis van de Nederlanden leek het mij het beste te beginnen met de aanloop naar de Reformatie, omdat die min of meer samenvalt met het begin van de modernisering, een proces ook dat specifiek van toepassing is op dat deel van de wereld, waartoe onze contreien behoren en dat van grote invloed is op de ontwikkeling van onze identiteit als natie.

Het moderniseringsproces luidde het einde in van het feodale systeem dat, zoals gezegd, steeds is gekoppeld aan het concept dat wij Middeleeuwen noemen. Het wordt gezien als een vrij statisch en door God gegeven systeem, waarbinnen de vrije wil van de mens op z’n best tot een minimum is beperkt. Individuele zelfontplooiing past daar niet bij. Het is onder andere daarom dat wij over de levensloop van individuele Middeleeuwers maar bitter weinig weten en dat wij de namen van bijvoorbeeld kunstenaars niet of nauwelijks kennen: zij signeerden hun werk niet, dat zou maar ijdelheid zijn. Daar komt in de periode van de renaissance, de zogenaamde herontdekking van de klassieke oudheid, langzamerhand verandering in.

De renaissance viel samen met de late Middeleeuwen, zeg van de 14e tot het begin van de 16e eeuw, dezelfde tijdspanne van het voorspel van de Reformatie en het begin van de modernisering. Over die renaissance hebben wij een veel te rooskleurig beeld: het was een tumultueuze en gewelddadige periode die de relatieve rust van de Middeleeuwen verstoorde. Daarin stond alles immers min of meer vast: het politieke en juridische stelsel alsook het economisch model (het stelsel van leenmannen die door blijken van trouw, het geven van militaire bijstand en het afdragen van belastingen de bescherming van hun leenheren genoten). Het besef van zoiets als staatsburger te zijn bestond niet en het gevoel te behoren tot een zich van anderen te onderscheiden natie was nauwelijks ontwikkeld. Het is goed hier nog op te merken, dat begrippen als de Middeleeuwende renaissance, het feodale stelsel, pas veel later bedachte, theoretische constructies zijn. De term feodalisme stamt uit de Franse Revolutie (18e eeuw) en stond voor iets achterhaalds en negatiefs, namelijk een door God gegeven maatschappijordening, waarnaast de Rede voor iets moderns en positiefs stond. Bij Marx (19e eeuw) staat het feodalisme vooral voor de economische productiewijze in de periode tussen wat hij slavernij noemt en de periode van het vroegkapitalisme.

Niet dat de Middeleeuwen zo statisch waren als waarvoor die geconstrueerde periode gehouden wordt. Middeleeuwse instituties leden aan dezelfde kwalen waaraan alle instituties lijden: op een gegeven moment verworden zij, lopen zij vast en raken zij sleets en obsoleet. Zij moesten daarom aangepast worden of verdwijnen en dat ging op een even natuurlijke wijze met piepen en kraken gepaard. Er rees dus ook verzet tegen veranderingen, want dat is iets waar mensen doorgaans niet zo goed tegen kunnen, sleurbeesten zoals wij zijn. Dé Middeleeuwse institutie bij uitstek was de Roomse kerk, die naarmate zij meer binnendrong in het dagelijkse leven ook meer macht naar zich toetrok en op de mensen legde. Er ontstonden daardoor twijfels over de geldigheid van kerkelijke dogma’s: kan de relatie tussen de mens en het Opperwezen door kerkelijke autoriteiten worden opgedrongen of bestaat die uit een meer innerlijke beleving? Aanhangers van het laatste waren onder andere de katharen (les parfaits ofwel de zuiveren), een beweging die in de 12e en 13e eeuw vooral in de westelijke Languedoc aanhangers vond (zij worden ook wel Albigenzen genoemd of volgens henzelf bonhommes et bonnefemmes). Hun idee was dat de eigen goddelijke inspiratie belangrijker is dan de autoriteit van de kerk. De interpretatie van wie God of Zijn zoon Jezus Christus is of wat de Bijbel ons leert, is een persoonlijke en niet die van een institutie. Daarbij ging men ervan uit dat de vrije wil niet bestaat (het is zoeken naar de aanwijzingen van God) en dat God niet verantwoordelijk is voor het kwaad op aarde, de aarde die ook niet door Hem is geschapen maar door de gevallen engel Lucifer (God schiep alleen de hemel en de engelen). De aarde is de gevangenis van Lucifer en zo is ook het fysieke lichaam, echter niet de ziel. De ziel kon alleen maar verhuizen naar een andere lichamelijke gevangenis (men geloofde dus in reïncarnatie), tenzij men het enige sacrament van de katharen had ontvangen, het consolamentum, dat derhalve de verlossing inhield. Dit geschiedde met handoplegging (met de Bijbel boven het hoofd).

Conflict met de kerk kon niet uitblijven en de katharen delfden het onderspit. Het ligt echter voor de hand dat het ideeëngoed niet geheel verloren ging, maar door de omstandigheden alleen maar heimelijk gekoesterd kon worden. Ik vermoed daarom dat de katharen en geestverwanten elders in Europa ook een rol hebben gespeeld in het voorspel naar de Reformatie. De volgende ontwikkeling is die van de Moderne Devotie (Devotio Moderna), die zich eind 14e eeuw vanuit Deventer verspreidt over het noorden van het huidige Nederland en Duitsland en vervolgens de Oostzeekusten, niet toevallig het werkingsgebied van het Hanzeverbond.

2. Terug naar de kern van religie: de Moderne Devotie

Als één van de functies van religie is om het kwade van het goede te scheiden, daarnaar te leven en de scheidslijn ertussen door een Opperwezen wordt bewaakt, dan zou dat toch automatisch moeten leiden tot gewetensonderzoek. In een notendop zijn de leefregels voor het nastreven van het goede in het christelijke (en joodse) geloof verwoord in de Tien Geboden, waarvan ik die van de naastenliefde en de matiging (de grenzen van begeerte) er even uitlicht.

Volgens een gangbare opvatting verspreidde het christelijke geloof zich via geloofs- en leefgemeenschappen, die je met niet eens zo veel fantasie wel kan beschouwen als grass root movements. Het is echter vrijwel onvermijdelijk dat, wanneer dergelijke bewegingen expanderen, de roep om samenhang en organisatie meegroeit, een proces dat institutionalisering wordt genoemd: er ontstaat een hiërarchie en een centraal (leer)gezag. In de katholieke versie van het christendom (het Oudgriekse katholikos betekent “algemeen, universeel”) vindt het instituut “kerk” zijn oorsprong bij de apostel Petrus (+ ca. 64 n.C.) als eerste plaatsvervanger (paus) van God op aarde.

Met de groeiende macht van deze kerk en haar centrale leergezag werd de verantwoordelijk van de mens in zijn opstelling tegenover God steeds minder een persoonlijke (gewetens)afweging en steeds meer een kwestie van van bovenaf opgelegde dwang. Zo kon twijfel ontstaan over de ware geloofsbeleving van individuen: zij die om opportunistische redenen vroomheid veinzen en zij die daadwerkelijk een persoonlijke band met God ervaren. In de latere orthodoxe versie van het calvinisme staat dit onderscheid in de zogenaamde Tale Kanaäns bekend als dat tussen respectievelijk de naambelijders en de ware gelovigen.

Aan een definitieve breuk met de kerk van Rome is men aan het einde van de 14e eeuw in de Nederlanden echter nog niet toe. Wel groeide de kritiek op de misstanden en de wijze van leiderschap binnen de Rooms-Katholieke Kerk, die met name de onbuigzame oplegging van leerstellingen, het gebrek aan matiging (corruptie), naastenliefde (te weinig liefdadigheid) en de verwevenheid van de geestelijke en wereldse macht betrof.

Het was de Deventenaar Geert Grote (1340-1380), een telg uit een welgesteld geslacht in de oude Hanzestad die op 10-jarige leeftijd zijn beide ouders aan de pest verloor en na uitgebreid gewetensonderzoek zijn koopmanschap verruilde voor een meer ascetisch bestaan en zijn huis openstelde voor “arme luden die er Gode dynen willen”. Vooreerst waren dit vrouwen die geen officiële kloostergelofte hadden afgelegd, enigszins vergelijkbaar met wat men later begijnen noemde maar hier de Zusters des Gemeenen Levens. Het uitgangspunt was dat ieder mens zelf verantwoordelijk is voor zijn of haar eigen zielenheil en dat daarvoor geen bemiddeling door een geestelijke nodig is. In het kader van de naastenliefde en de matiging was het doel om, behalve voor zichzelf, zedenverwildering onder de geestelijken en het gewone volk te bestrijden en de levensomstandigheden in de hele samenleving te verbeteren, in de eerste plaats door scholing van jonge mensen. Dit alles werd verricht onder de naam van de Devotio Moderna ofwel de Moderne Devotie die in feite een hervormingsbeweging en dus een wegbereider voor de Reformatie was.

Uiteraard dreigde er conflict met de kerkelijke autoriteiten. De bisschop van Utrecht, waaronder Deventer ressorteerde (de huidige provincie Overijssel stond bekend als het Oversticht, het eigenlijke Sticht viel ongeveer samen met de huidige provincie Utrecht), kondigde een preekverbod voor de voorgangers van de gemeenschap af. Om de boel niet op de spits te drijven, kwam het tot een akkoord door de inmiddels uitgebreide leefgemeenschappen van de Moderne Devotie onder te brengen onder de zogenaamde Derde Orde van Sint-Franciscus, waarvoor geen kloostergelofte vereist was. Een latere bisschop van Utrecht, Frederik van Blankenheim (ca. 1355-1423), nam de Moderne Devotie onder zijn beschermende hoede.

Geert Grote kon zijn werk niet voortzetten omdat hij in 1380 zelf ten prooi viel aan de pest (zijn schedel is bewaard en opgeborgen in de waag van Deventer). Het was een andere Deventenaar die de praktijk levend hield, Florens Radwijns (ca. 1350-1400), die in 1387 de Congregatie van Windesheim (bij Zwolle) stichtte, deze keer bedoeld voor Broeders des Gemeenen Levens. Gemeenschappen ontstonden ook op de Agnietenberg bij Zwolle en in Diepenveen bij Deventer. Van hieruit verspreidden de gemeenschappen zich verder over het “hoge” noorden der Nederlanden, Noord-Duitsland (met name Lübeck) en de Oostzeekusten. Niet toevalling viel deze verspreiding samen met het operatiegebied van het Hanzeverbond waartoe de steden Deventer en Zwolle ook behoorden. Het hoogtepunt van de Moderne Devotie werd in het begin van de 16e eeuw bereikt, toen er meer dan honderd gemeenschappen bestonden, die naar zou blijken ontvankelijk waren voor de opnieuw opzwellende kritiek op de misstanden in de kerk die in 1517 door Maarten Luther werd verwoord in de 95 stellingen. De verspreiding van de protestantse kerkscheiding die we Reformatie noemen, volgt voor een belangrijk deel de weg van de verspreiding van de Moderne Devotie.

De nadruk van de beweging op onderwijs – met name dat voor arme studenten en nadrukkelijk niet voor “rijke lanterfanters” – leidde tot een hausse in de boekproductie: studenten konden met overschrijven, vertalen en de juist opkomende boekdrukkunst in hun eigen onderhoud voorzien. Met name Deventer kreeg hierdoor de naam “boekenstad” te zijn, wat zich nog altijd manifesteert in de aanwezigheid van een aantal grotere uitgevers en de jaarlijks gehouden grootste boekenmarkt van Europa (130,000 bezoekers in 2016).

Eén van de studenten was de smidszoon Thomas a Kempis (eigenlijk Thomas van Kempen of Thomas Hemerken of Hämerken, ca. 1380-1471), die in 1413 tot kanunnik benoemd werd en de auteur is van het naast de Bijbel meest gezaghebbende kerkelijke boek, De imitatione Christi of De navolging van Christus (1424), waarin een praktisch en godvruchtig leven en werken in de wereld wordt gepropageerd. De “lachende paus” Johannes Paulus I, die slechts 33 dagen in 1978 het pontificaat bekleedde, werd dood aangetroffen met dit boek in zijn hand.

Thomas a Kempis heeft op zijn beurt weer grote invloed uitgeoefend op een denker als Desiderius Erasmus, de “grote humanist” (al was er bij hem geen sprake van afscheid van God) en waarschijnlijk ook op de schilder Jheronymus (Jeroen) Bosch, die in zijn werk ook lijkt te spotten met de ondeugden van de clerus (Tuin der Lusten) en het ascetisch leven (kluizenaars, Geert Grote leefde ook een tijd als zodanig) verheerlijkt.

Zoals de naam al aangeeft, past de Moderne Devotie binnen het kader van het moderniseringsproces, met name waar het de aspecten van individualisering (het eigen geweten centraal) en rationalisering (praktisch handelen) betreft. Ook aan het aspect van domesticering wordt geraakt met de afkeuring van opgelegde dwang en de verandering daarvan door matiging, wat de socioloog Norbert Elias (1897-1990) in het kader van zijn studie Het civilisatieproces (1939) “zelfdwang” noemt.

3. De opkomst van de steden en de burgerij

” Wie uit vaderlandse plicht, heeft de scholen opgericht?
Dat is Kareltje de Grote, Ka-rel-tje de Gro-te! “

Tot voor kort dacht ik dat dit een liedje was uit het hoogtij van het nationalisme, maar het blijkt pas in 1965 in het Nederlands ten gehore gebracht te zijn door het duo Johnny & Rijk (John Kraaykamp sr. en Rijk de Gooijer) en herhaald in 1976 door André van Duin en De Spettertjes. Bovendien is het vertaald uit het Frans door ene Fons Fokker, naar een liedje van France Gall uit 1964:

” Qui a eu cette idée folle, un jour d’inventer l’école,
C’est ce sacré Charlemagne, sa-cré Char-le magne!”

Het is van oorsprong een kinderliedje dat de spot drijft met de onaangenaamheden van schoolgaan. Zo heb ik het niet ervaren, ik dacht werkelijk dat Karel de Grote (748-814) iets groots had verricht uit “vaderlandse plicht”, woorden die dus in de Franse tekst ontbreken. Het is wat: een Nederlandse vertaler die chauvinistischer dan de Fransen is!

En er klopt ook vrijwel niets van. Karel de Grote, gekroond als koning van het Frankische Rijk in 768, tot keizer in 800 en naar verluidt zelf analfabeet, heeft weliswaar wel iets voor het onderwijs betekend, maar dat betrof alleen de instelling van kloosterscholen, waar monniken kerkelijke en Bijbelse, Latijnse teksten leerden lezen en konden overschrijven (er was nog geen boekdrukkunst). Met “vaderlandse plicht” had dat alles niets, maar dan ook helemaal niets te maken. Het hele concept van een vaderland bestond niet: het bereiken van een hoge positie op de hiërarchische mensenrots had slechts te maken met grondbezit en het plukken van de vruchten daarvan, om dat na jouw dood als grootgrondbezitter over te dragen aan je mannelijke erfgenamen.

Ruwweg bestonden er in die jaren in Europa twee systemen van erfopvolging: het verworven land werd overgedragen aan de oudste zoon (de jongeren kregen niets), wat deels de zeegang en de daarmee gepaard gaande rooftochten van de Vikingen (“de plaag uit het noorden”) verklaart, of het verworven land werd verdeeld tussen alle mannelijke opvolgers, dat dan weer leidde tot verdere versplintering van het grondgebied en het ontstaan van keuterboeren.

Het laatste systeem was gebruik in onze contreien, waar de lokale machthebbers sinds de bekering van de Merovingische vorst Clovis I in 497 het christendom bevorderden, onder andere door ruim baan te geven aan voornamelijk van de Britse eilanden afkomstige missionarissen zoals de latere Willibrord en Bonifatius. Het Merovingische grondgebied ging onder de bestaardzoon Karel Martel (ca. 689-741) over naar een Germaanse, Frankische dynastie, waarvan Karel de Grote een telg was. Omdat maar één zoon, Lodewijk de Vrome, hem overleefde, bleef het door Karel opgebouwde grondgebied na zijn dood nog tot 840 intact. Na moeizame onderhandelingen en gewapende conflicten werd het Frankische Rijk bij de Vrede van Verdun (843) onder de drie zoons van Lodewijk verdeeld: een westelijk deel onder Karel de Kale, een oostelijk deel onder Lodewijk de Duitser en een middendeel onder Lotharius. De “Lage Landen” vielen, evenals de gebieden die we nu kennen als Lotharingen, de Elzas, Zwitserland en Italië onder het middenrijk, wat een geografisch en militair onmogelijk gedrocht bleek. In 870 moest de arme Lotharius zijn grondgebied bij de Vrede van Meerssen afstaan aan zijn twee broers. Dit moment wordt aangehouden als het ontstaan van Frankrijk en het Duitse Rijk, waarvan het laatste zich afficheerde als de voortzetting van het (westelijke) Romeinse Rijk. Hiermee was ook de hegemonie van de twee continentale, West-Europese machten bezegeld, met de grenstwisten die tot in de 20e eeuw bleven voortwoekeren (met name Elzas-Lotharingen dus).

In de Lage Landen verliep de grens tussen het westelijke en het oostelijke Frankische Rijk over de Schelde. Ten noorden en ten oosten van deze rivier behoorden de gronden tot het Duitse Rijk, dat echter geen sterk, centraal bestuur kende: de keizers werden gekozen door keurvorsten, regionale graven en hertogen die vrijwel onafhankelijk van elkaar opereerden. Ten zuiden en westen van de rivier heerste de Franse koning, die veel sneller zijn oppermacht wist te vestigen (de oorzaken hiervan laat ik hier maar even achterwege).

Behalve een grens was de rivier de Schelde ook een transportroute. Het was bij de toenmalige stand der techniek gemakkelijker vervoermiddelen over water te construeren dan over land, land dat werd geplaagd door rul zand en modderpoelen en waar struikroverij schering en inslag was. Het transport over water maakte een economie van im- en export tot ver buiten de grenzen van de regio mogelijk en daaruit ontstonden ook allerlei beroepssectoren die niet direct grondgebonden waren. Het was daarom in het gewest Vlaanderen, dat voor het grootste deel onder “Frankrijk” en voor een kleiner deel onder “Duitsland” viel, zich steden ontwikkelden (met name Brugge en Gent), die naarmate er meer mensen waren die zich bezighielden met tussenhandel (opslag, verzending, administratie) zich steeds meer los zongen van het agrarische platteland en zo een burgerij ontwikkelden die zich steeds onafhankelijker begon te gedragen. Dit leverde de eerste scheurtjes op in het feodale stelsel van leenmannen en hun onderhorige boeren, een stelsel overigens dat was gebaseerd op een ruil- in plaats van een geldeconomie dat in de tijd van Karel de Kale (877 bezegeld met de Capitulatie van Querzy) ook nog eens een statische standenmaatschappij opleverde door de macht middels erfopvolging binnen een en dezelfde familie te behouden, dit gelegitimeerd door een “door God gegeven gezag”.

Omdat dit een geschiedenis der Nederlanden is, moet ik opmerken dat het feodale systeem in het uiterste noorden van de Lage Landen nooit goed tot ontwikkeling is gekomen. Van West-Friesland (NH) via de huidige provincies Friesland en Groningen tot Oost-Friesland (D) heerste vanaf ten laatste 1101 de Friese Vrijheid, een vorm van decentraal zelfbestuur dat niet onderworpen was aan het gezag van welke graaf of hertog dan ook. De zwakheid van deze vrijheid was, dat zij door het ontbreken van centrale instituties een gemakkelijke prooi was voor machtswellustelingen van eigen bodem en van buitenaf. In de loop van de 16e eeuw kwam een einde aan de laatste resten van deze Friese Vrijheid.

Onder het feodale stelsel was het grondbezit en het vruchtgebruik daarvan de belangrijkste machtsbasis, in cultureel opzicht deelde de nog ongedeelde Rooms-Katholieke Kerk en haar geestelijkheid de lakens uit. Een belangrijk deel van deze feodale periode wordt beheerst door het conflict tussen de wereldlijke adel en de kerkelijke geestelijkheid. De opkomst van de steden, eerst dus in Vlaanderen en later ook in Brabant, Limburg, de (Gelderse) IJsselstreek en in het westen Dordrecht en Utrecht, bracht een derde stand in stelling: de burgerij, lieden die niet door grondbezit noch door geestelijke suprematie, maar door geld een machtspositie verkregen.

De steden beconcurreerden elkaar, maar niet alleen dat: zij gingen ook uit welbegrepen eigenbelang samenwerkingsverbanden aan, waarvan het Hanzeverbond wel het bekendste is. Bovendien gingen allerlei beroepsgroepen zich naar gelang het ambacht dat zij vertegenwoordigden, zich in gilden verenigen. De groeiende invloed van deze gilden vormde de machtsbasis voor een autonoom stadsbestuur, dat steeds minder afhankelijk werd van grondopbrengsten en de dogma’s van de kerk. Een zekere secularisatie trad op, onder andere zichtbaar in de opkomst van een burgerlijke architectuur, waarbij ook meer ruimte ontstond voor individuele zelfontplooiing.

Eén van de uitingen van het laatste was de Moderne Devotie (zie paragraaf 2) die een opmaat is voor het definitieve verlies van het geloofsmonopolie van de Roomse kerk. In zekere zin houdt dit proces ook de eerste stappen naar democratisering in, een democratisering die in de Lage Landen ook door de fysieke geografie voor de hand lag.

4. Hoe laagveen en meer de democratie bevorderden

De totstandkoming van de Republiek der Verenigde Nederlanden in de loop van de 16e en 17e eeuw heeft veel te maken met reeds eerder verworven macht en vrijheid die op gespannen voet stonden met de zogenaamd door God gegeven sleutelposities van adel en geestelijkheid. Een en ander vond zijn oorsprong in de opkomst van de steden en de daarmee samenhangende totstandkoming van een derde stand, de burgerij. Maar voor een groot deel ligt de oorsprong ook in de voor de Lage Landen typerende fysieke hoedanigheid van het landschap.

De bewoningsgeschiedenis van de Nederlanden is ten opzichte van het overgrote deel van het overige Europa van recente datum en dat heeft, afgezien van de hogere en voornamelijk op zandgronden gelegen delen van ons gebied, alles te maken met de moerasdelta van de drie grote rivieren die hier in zee stromen: de Rijn, de Maas en de Schelde. Bewoning kwam pas laat op gang omdat de zomp daarvoor geschikt gemaakt moest worden. Dit geschiedde door de aanleg van dijken en polders, de laatsten vanwege hun ligging onder de zeespiegel doorkliefd met ontelbare sloten. Om de boel droog te houden moest er worden bemalen, om het grondwater onder het “irreversibel” (onomkeerbaar) inklinkende veen te houden. Dit vereiste samenwerking, omdat juist door deze bodemgesteldheid grootgrondbezit vrijwel uitgesloten was en derhalve geen geslacht voldoende kapitaal kon verwerven de droogmakerij in zijn eentje in stand te houden. Het verklaart deels ook de beperkte invloed van landsheren, waardoor een samenleving kon ontstaan waarbinnen de verschillen tussen macht en machteloosheid naar verhouding klein waren. Zo plat als het land was, waren ook de sociale en economische verhoudingen. Het is het Nederlandse poldermodel ten voeten uit, een noodgedwongen compromismodel van “wheelen en dealen” dat geen grote gebaren kent maar wel “een beetje de boel bij elkaar houdt”, om met de veel latere, Amsterdamse burgemeester Job Cohen te spreken.

Het poldermodel is intrinsiek democratisch: het werkt averechts om, als iedereen min of meer in hetzelfde schuitje zit, de zaak van tevoren op de spits te drijven, tenzij een of andere lefgozer(in) geen kennis van deze stand van zaken heeft en als een olifant over het trilveen van de zorgvuldig bijgehouden polders stampt. Het verklaart misschien dat onderdeel van de Nederlandse identiteit , dat je zou kunnen benoemen als een normaalheidscultus, net zo normaal als het Normaal Amsterdams Peil (NAP) dat eens en voor altijd bepaalt op welk niveau ons land er ten opzichte van de zeespiegel bijligt.

Het openbaar lichaam dat er bij uitstek voor zorg draagt dat dat zo blijft, is het waterschap, dat soms om historische redenen ook wel hoogheemraadschap wordt genoemd. Het is een bestuurslaag die dwars door de geijkte bestuurslagen van de huidige rijksoverheid, de provincies en gemeenten heen loopt en voor zover mij bekend nergens anders in de wereld zo perfect ontsponnen is. Niet dat de waterschappen het toonbeeld van democratie vertegenwoordigen, zij zijn in ieder geval van meet af aan overlegorganen, waarbinnen niet het conflict, maar de consensus centraal staat. De voorzitter die dijkgraaf of hoogheemraad heet moet een vergadering van heemraden leiden, bestaande uit ingelanden (meestal pachters die een bepaalde minimumhoeveelheid belasting betalen) en ingezetenen (de overige bewoners van een waterschap, die pas later invloed kregen). Het moet nog maar eens gezegd worden: het doel was en is de boel drooghouden en het doet er dan niet zo veel toe of dat op een gereformeerde, katholieke of socialistische basis gebeurt. Het is ook daarom dat er tegenwoordig veel twijfel bestaat over de zin van de bemoeienis van politieke partijen bij de waterschapsverkiezingen sinds 2004, verkiezingen die schriftelijk of via internet plaatsvinden en waarvoor de meeste burgers nu niet bepaald warmlopen (de opkomst was in 2015 43,5 %).

Het eerste waterschap werd in 1255 door graaf Willem II van Holland ingesteld: het Hoogheemraadschap Rijnland. Daarvoor was al in 1122 een samenwerkingsverband tot stand gekomen bij de regulering van de Rijn door middel van afdamming van de Kromme Rijn bij Wijk bij Duurstede, in 1323 geïnstitutionaliseerd als het Hoogheemraadschap van den Lekdijk Bovendams.

De waterschappen werden als openbaar lichaam ook opgenomen in de Grondwet van 1848. De bedoeling van de wetgever was om te voorkomen dat de afzonderlijke gemeentebesturen allemaal hun eigen waterhuishouding zouden gaan regelen, hetgeen zonder afstemming met naburige gemeenten aldaar tot overlast zou kunnen leiden. De grenzen van die waterschappen werden dan ook  niet zo zeer bepaald door de gemeentelijke indelingen, als wel door het stroom- of boezemgebied van de diverse wateren. Van een daadwerkelijke concentratie tot een beperkt aantal waterschappen was vooreerst geen sprake: in 1950 telde Nederland er ongeveer 2600.

Dat wraakte zich bij de watersnood van 1953, met name waar het het beheer en onderhoud van de zeedijken betrof. Constructies, zowel betreffende de hoogte, de hellingpercentages en het gebruikte materiaal verschilden van waterschap tot waterschap. De ramp die daarvan en van de slechte communicatie het gevolg was (1836 doden) leidde tot de al veel eerder aangekaarte noodzaak van concentratie (het rapport daarover verscheen tijdens WO II, toen de overheid zich meer richtte op andere zaken, waardoor het rapport vrijwel meteen in een bureaulade verdween). Sinds 1 januari 2016 is het aantal waterschappen beperkt tot 23.

De waterschappen, die naast de verstedelijking een aantal noodzakelijke voorwaarden voor democratisering hebben geschapen, richten zich dus op de waterhuishouding. Maar allengs wordt het duidelijker dat dat onvoldoende is. Dat staat naar mijn mening haaks op de veel gehoorde roep om de waterschappen op te heffen en de taken over te hevelen naar provincies en gemeenten. Het is dan maar de vraag of de gespecialiseerde kennis die bij de waterschappen aanwezig is overeind blijft in algemene besturen, te meer daar bij velen – ook onder politieke partijen en dan met name bij stedelingen – de sense of urgency wat betreft waterbeheer ontbreekt. Dat is ook goed merkbaar bij de bouw van Vinexwijken in het grotendeels onder de  zeespiegel liggende Groene Hart, met name de Zuidplaspolder bij Waddinxveen, waar zich het diepste punt van ons land bevindt, minus 6,76 meter NAP en going down vanwege het irreversibele inklinken van het veen. Ik zou er geen huis kopen, zeker als je weet dat de bemaling van de polders niet voor eeuwig kan worden voortgezet.

5. Bourgondiërs, renaissance en humanisme

In de late 14e en hele 15e eeuw vinden belangrijke politieke, sociale, culturele en economische veranderingen plaats die richting hebben gegeven aan de verdere loop der gebeurtenissen. Op politiek terrein is de opkomst en ondergang van het Bourgondische hertogdom van belang geweest voor de natievorming in de Nederlanden en daarmee voor de ontluiking van een Nederlandse identiteit.

Om alles goed in kaart te brengen, moet ik nog even verwijzen naar een grijzer verleden. Met de Vrede van Meerssen in 870 was de basis gelegd voor de West-Europese, continentale machtsconcentratie, verdeeld tussen het Franse koninkrijk en het Duitse keizerrijk. De gebieden, waaronder de Lage Landen, die tussen 843 (Vrede van Verdun) en 870 nog behoorden tot het Frankische middenrijk van Lotharius, waren daarmee gereduceerd tot perifere grensgebieden, waar het centrale gezag – zo dat er al was – van beide kanten van de grens maar matig of non-existent was en waar lokale landsheren vrijwel autonoom de scepter zwaaiden en elkaar bestreden. Daar stond tegenover dat er ook ruimte werd geschapen voor de opkomst van de steden met hun burgerij als derde, aan invloed toenemende stand en een zekere globalisering van de economie, die uitgerekend dit grensgebied weer deed opbloeien.

De Bourgondiërs waren landsheren onder het Franse koninkrijk, waar de troon echter sinds 1337 werd betwist door twee dynastieën, die van het huis Valois en die van de Plantagenets, ook wel bekend als het huis Anjou dat ook aanspraak maakte op de Engelse troon. Dit conflict staat bekend als de Honderdjarige Oorlog (die nog langer dan dat duurde, want pas in 1453 definitief beslecht) en veroorzaakte een machtsvacuüm dat door de zich tot hertogen uitgeroepen landsheren van Bourgondië werd opgevuld. Niet alleen de streken die formeel onder de Franse kroon vielen, maar ook delen van het nogal decentraal bestuurde Duitse Rijk raakten gaandeweg in hun bezit. De expansie van de Bourgondiërs start in 1384, als de zoon van de Franse koning Jan (Jean) I van Valois, Filips de Stoute, door zijn huwelijk (Gent, 1369) met Margaretha van Male de graafschappen Artesië en Vlaanderen erft. Verdere expansie vindt plaats onder zijn kleinzoon Filips de Goede, die in 1430 de hertogdommen Brabant en Limburg verwerft, in 1432 de heerlijkheid West-Friesland, 1433 de graafschappen Holland, Zeeland en Henegouwen, alsmede door de benoeming van familieleden tot bisschop onder andere ook de bisdommen Luik, Utrecht en Kamerijk (Cambrai). De Nederlanden zijn daarmee grotendeels verenigd onder één landsheer, behoudens het hertogdom Gelre, het graafschap Zutphen en de gebieden die tot de Friese Vrijheid behoren.

Vooralsnog beperkt de vereniging zich tot een personele unie met grote vrijheden voor de afzonderlijke gewesten, die los van elkaar bijeenkomen in de Staten-Provinciaal, waarin leden van de adel, geestelijkheid en steden vertegenwoordigd zijn. Deze Staten buigen zich voornamelijk over financiële aangelegenheden, zoals het heffen van belastingen.

Tot een werkelijke concentratie van de Bourgondische macht komt het onder het bewind van Karel de Stoute, zoon van Filips de Goede, als er vanaf 1473 een Staten-Generaal in het leven is geroepen, bestaande uit afgevaardigden van de Staten-Provinciaal, en vergadert onder de naam Grote Raad of Parlement van Mechelen, welke stad alsdan de statuur van hoofdstad der Lage Landen krijgt, een statuur die echter al snel zal gaan afbrokkelen maar nochtans voort moddert tot ongeveer 1582.

Karel de Stoute komt in 1477 om het leven in de Slag bij Nancy tegen de Lotharingers, waarbij de “Franse” delen van het Bourgondische Rijk toevallen aan de Franse kroon. In hetzelfde jaar huwt zijn enige erfgename Maria van Bourgondië met de Oostenrijkse aartshertog Maximiliaan I van Habsburg, waardoor de “Duitse” delen na de voortijdige dood van Maria voortaan onder het Habsburgse huis vallen. De definitieve benoeming van Maximiliaan tot keizer van het inmiddels zo genoemde Heilige Roomse Rijk der Duitse Natie in 1508 brengen de Nederlanden geheel onder gezag van de Habsburgers (Vlaanderen was door erfrecht al in 1477, hoewel formeel “Frans”, onder hun invloed gekomen).

De glorietijd van de Bourgondiërs vond plaats in een periode die in de Europese geschiedenis de renaissance wordt genoemd. De term “renaissance” werd geïntroduceerd door Italiaanse “humanisten” (o.a. Petrarca en Machiavelli) en werd gebruikt in tegenstelling tot de Middeleeuwen, al algemeen werden ervaren als een tijdperk van stilstand en verval. De renaissance daarentegen zou de wedergeboorte van de klassieke oudheid zijn, een tijd van voortuitgang en modernisering. Inderdaad had het feodalisme, het stelsel dat steeds terecht of onterecht wordt vereenzelvigd met de Middeleeuwen, althans in West-Europa zijn langste tijd gehad en vonden er belangrijke technologische en wetenschappelijke innovaties plaats: de boekdrukkunst, de vervaardiging van papier, de introductie van het kompas en het buskruit, alsmede een nieuwe interpretatie van het universum, het copernicaanse wereldbeeld. Ook trad een zekere mate van secularisatie op, in de Nederlanden vooral belichaamd door de Moderne Devotie en de opkomst van de stedelijke burgerij, die ook in Italië plaatsvond. Het levensmotto veranderde van het memento mori (gedenk te sterven) van de Middeleeuwen in het carpe diem (pluk de dag) van de renaissance, wat ruimte gaf aan de ontwikkeling van een persoonlijke identiteit (individualisering): kunstenaars signeren hun werk, bestuurders afficheren zich als grote mannen die hun invloed en macht beschouwen als een persoonlijke deugd (virtù) , die er in de praktijk echter op neerkomt “hoe de macht te handhaven”, waarover de verhandeling Il Principe (De Vorst, 1513/15) van Niccolò Machiavelli gaat. Het past ook bij het aspect van rationalisatie als onderdeel van het moderniseringsproces.

Een werkelijke cesuur tussen de Middeleeuwen en de renaissance heeft echter niet plaatsgevonden en is een verzinsel van tijdgenoten die doorgaans – net als wij in onze tijd – niet zo goed zijn de betekenis van ontwikkelingen waaraan zij zelf deelachtig zijn, op een plausibele wijze te duiden. De “gouden eeuw” van de renaissance (de 15e eeuw) is namelijk ook de eeuw die wordt beheerst door de Honderdjarige Oorlog en de naweeën daarvan, de heksenvervolgingen, de inquisitie (o.a. de veroordeling tot de brandstapel in 1415 van de theoloog Johannes Hus, ook een wegbereider van de Reformatie, en de daarop volgende Hussietenoorlogen), een virulent antisemitisme, de opkomst van de slavenhandel alsook de enorme mortaliteit door de Zwarte Dood (de pestepidemieën).

Uiteindelijk zou dit alles culmineren in een kerkscheuring met de politieke gevolgen van dien, de Reformatie.

6. De Reformatie: meer dan een geloofskwestie alleen

Vaak hoor ik zogenaamd ongelovige mensen beweren dat geloof de bron van kwaad in het algemeen en geweld en oorlog in het bijzonder is. Als je niet doorvraagt, blijf je in het ongewisse wat die mensen met “geloof” precies bedoelen. Gaat het om een godsbesef in brede zin of betreft het het aanhangen van een godsdienst, dat wil zeggen het zich bekennen tot een bepaalde geïnstitutionaliseerde geloofsgemeenschap, in christelijke zin dus een kerk?

Geloof beschouwen als bron van het slechte diskwalificeert hele volksstammen en ik kan het niet laten hier op te merken dat de mensen die dat vinden niet bepaald getuigen van naastenliefde, empathie en verdraagzaamheid jegens andersdenkenden of andersdoenden. Mensen die geloof in een kwaad daglicht zetten, getuigen van een dogmatiek die zij uitgerekend gelovigen verwijten. Het is een onredelijke stereotypering die voortspruit uit het eigen tot onbuigzaamheid vervormde atheïstische gelijk.

Geloof leidt niet tot oorlog, het kan hoogstens als legitimatie worden misbruikt voor snode plannen die van veel wereldser komaf zijn: macht, bescherming van groepsbelangen, behoud van persoonlijk bezit en zo nog meer aardse bekommernissen. Als dit het geval is, het geloof als legitimatie van wanbedrijf, dan en alleen dan is het legitiem om zulke praktijken te bekritiseren en te verwerpen.

Met enige fantasie zou je kunnen zeggen dat de predikingen van Jezus van Nazareth en zijn navolgers een reformatie van het jodendom waren. De daaruit ontstane geloofs- en leefgemeenschappen hadden, naarmate zij zich ook geografisch meer verspreidden, steeds meer behoefte aan het behoud van eenheid in de geloofsbelijdenis en daarmee ook aan een centraal leergezag, dat uiteindelijk uitmondde in de stichting van de zich universeel christelijk noemende (Rooms-)Katholieke Kerk (hoewel zij niet overal haar invloed heeft kunnen doen gelden, bijvoorbeeld niet in Armenië en Ethiopië). De aldus ontstane institutie leed aan kwalen waaraan alle instituties leiden: toenemende bureaucratisering (procedures en voorgeschreven rituelen), oligarchisering (opvolging binnen eigen kringen), branchevervaging (naast geestelijke ook wereldse macht) en tunnelzicht (geen kritiek meer horen of dulden). Het oorspronkelijk goedbedoelde ideaal raakt daardoor steeds meer op de achtergrond: de institutie is er niet meer voor een doel, maar is een doel voor zichzelf geworden.

We hebben reeds gezien dat hiertegen verzet rees, verzet dat aanvankelijk niet bedoeld was om zich helemaal te onttrekken van het instituut kerk, maar om dat instituut te hervormen van binnenuit, door terug te keren naar de bron waaruit alles ontsprong. In de Nederlanden speelden hierin de Zusters en Broeders des Gemeenen Levens, de volgelingen van de door Geert Grote voorgestande Moderne Devotie, een grote rol. Tezelfdertijd (eind 14e en de hele 15e eeuw) vond een soortgelijke beweging plaats in Midden-Europa, meer bepaaldelijk Bohemen, waar Jan (Johannes) Hus (ca. 1369/70-1415) het Woord Gods in de volkstaal wilde verbreiden. Daarmee was hij Luther ver voor met een Tsjechische Bijbelvertaling, waarin hij uit zuinigheid (schrijven op duur perkament) de hacek (spreek uit “hátsjek”, het “omgekeerde dakje” op een letter die anders als klank met meer letters moet worden gespeld) introduceerde. Voorts keerde hij zich tegen de simonie, de koop en uitruil van kerkelijke ambten en de corruptie in de handel van aflaten en relikwieën. Ondanks de welwillende houding van de Rooms-Duitse keizer Sigismund moest hij dit met de brandstapel bekopen (Konstanz, 1415). Het speelde zich af tijdens een machtsstrijd binnen de Kerk (het Westers Schisma, 1378-1417), waarbij twee pausen (in Rome en Avignon) elkaar bestreden. Het was de “tegenpaus” Johannes XXIII (niét de 20e eeuwse, “goede” paus) die de excommunicatie en de dood van Hus verordonneerde, terwijl Sigismund rood aangelopen de executie gadesloeg. De latere keizer Karel V (de onze dus) verwees hier ooit naar: “Ik zal niet blozen als Sigismund”.

Hus was overigens op zijn beurt weer beïnvloed door de werken van de Engelsman John Wycliffe (ca. 1320-1384), die ook in dezelfde traditie stond.

Dit vermocht de Hussieten en de aanhangers van de Moderne Devotie echter niet te vermurwen. Voorzichtigheid was dan wel geboden, er viel niet veel te verbieden in het uitdragen van een levenshouding die gevolg geeft aan de geboden van naastenliefde en matiging. In Noord- en Midden-Europa groeide het aantal enclaves waar dit tentoongespreid werd en hun scholen leverden jaar op jaar nieuwe geestelijken en geleerden af. Onder hen bevonden zich bijvoorbeeld Desiderius Erasmus (1466/67/69-1536) en Adriaan Floriszoon Boeyens (1459-1523), de enige Nederlandse paus (Adrianus VI, 1522-1523), die de Latijnse Scholen (voorlopers van het gymnasium) van de Broeders des Gemeenen Levens in respectievelijk Gouda en Zwolle bezochten.

De augustijner broeder dr. Martin (Maarten) Luther (1483-1546) doceerde in de filosofie en psalmen aan de universiteit van Wittenberg (thans Saksen-Anhalt), toen hij in 1517 als biechtvader werd geconfronteerd met biechtelingen die een aflaat van de eveneens augustijner broeder Johann Tetzel (ca. 1565-1519) overlegden, waarop hij slechts absolutie kon verlenen en geen boetedoening kon opleggen. Deze ervaring was de aanleiding tot het publiceren van de beroemde 95 stellingen tegen de misstanden in de Kerk, die overigens gewoon in druk werden gepubliceerd en niet werden gespijkerd op de deuren van de kerk van Wittenberg. De boekdrukkunst was reeds geïntroduceerd en zo kon Luthers kritiek zich razendsnel verspreiden, met name in Noord-Europa waar de Moderne Devotie had wortel geschoten en waar de koningen van Denemarken en Zweden alsmede enkele van de Duitse vorsten voor de boodschap ontvankelijk bleken.

Elders in Europa werd de boodschap ook gehoord en volgden anderen in het spoor van Luther: Huldrych Zwingli (1484-1531) in Zwitserland, Jehan Cauvin (1509-1564) in Frankrijk en John Knox (1505/13/14-1572) in Schotland. Zij werden gerekend tot de tweede reformatorische golf, die meer nog dan het verzet van Luther een revolutionaire inslag had. Het ging Luther aanvankelijk niet om een afscheiding of kerkscheuring, hij wilde de zaak van binnenuit hervormen en het mislukken daarvan zal latere critici ervan hebben overtuigd dan maar een geheel eigen weg te gaan.

Rond 1520 had de Reformatie de Lage Landen bereikt. Het is geen toeval dat dat begon in het zuiden, waar de invloed van de katholieke kerk nog niet gematigd was door zoiets als een Moderne Devotie. Vanuit steden als Doornik (Tournai) en Valencijn (Valenciennes) verspreidde de nieuwe gedachte zich naar Antwerpen en van daar verder naar het noorden. Gaandeweg kwam deze ontwikkeling steeds meer in het vaarwater van de radicale leer van mr. Jehan Cauvin, die wij beter kennen als Johannes Calvijn, te meer ook omdat hij wortels in de streek had (zijn moeder kwam van Kamerijk of Cambrai) en communiceerde in de volkstaal van het diepe zuiden van de Nederlanden, het Frans. Boven de “grote rivieren” bleef het lutheranisme nog overheersend, min of meer om dezelfde redenen: Luther had de Bijbel immers in een vorm van Nederduits vertaald (het verschil met Nederlands werd nog niet gehanteerd, je zou ook kunnen spreken van een vorm van de Nedersaksische taal, die ook de handelstaal van de Hanze was.

Ik besef nu dat Een geschiedenis der Nederlanden een forse brok kerkgeschiedenis moet bevatten. De beschrijving van het ontstaan van de Nederlandse natie kan niet zonder. In die zin moet ik de hedendaagse Amerikaans-Nederlandse historicus James Kennedy (* 1963) ongelijk geven, tenzij zijn op het punt van publicatie staande boek over de Nederlandse geschiedenis anders gaat beschrijven: de Verenigde Staten van Amerika zijn gebaseerd op een idee, de staatsvorming in Europa is slechts een bijproduct van de loop der zaken. Welnu, de Republiek der Verenigde Nederlanden is net als de Verenigde Staten van Amerika uit een opstand ontstaan die gebaseerd was op een idee, namelijk dat van de gereformeerde gezindte (“gereformeerd” is hier wat breder dan de kerkgenootschappen die zich thans zo noemen; overigens is de Amersfoorter Kennedy zelf gereformeerd).

Ik sluit deze paragraaf af met de opmerking dat Calvijn zijn kruistocht tegen de Rooms-Katholieke Kerk aanving op de dag van Allerheiligen, 1 november 1533 aan het Collège Royal te Parijs, toentertijd het decor van de nieuw benoemde rector Nicolas Cop (ca. 1501-1540), die de Reformatie was toegedaan met het thema van zijn rede: Zalig zijn de armen van geest (Mattheüs 5:3). Calvijn, die de hoogleraar heeft geholpen de tekst van de rede te schrijven, en Cop zelf moeten kort daarop vluchten.

Er komt nog meer spannende kerkgeschiedenis die grote sociale en politieke gevolgen zal hebben.

7. Karel V: gemengde gevoelens bij een grote keizer

Het is het jaar 1555. Niet eerder is het voorgekomen dat een vorst vrijwillig afstand van de macht deed. Wel Karel V (1500-1558) op 25 oktober van dat jaar in het Paleis op de Koudenberg te Brussel, leunend op de schouder van de al aan invloed winnende Willem van Oranje en zo een soort apologie voor zijn bewind uitsprak, dat hij altijd gedaan en gelaten had “om voor het welzijn van Duitsland en de andere rijken te zorgen, om voor de vrede en de veiligheid en de eenheid van het hele christendom te zorgen en om krachten tegen de Turken aan te wenden“.

En hij ging voort: “Ik weet, dat ik vele fouten begaan heb, niet in het minst wegens mijn jeugd, dan wegens mijn menselijk dwalen en wegens mijn passies (de in Gent geboren Karel was een enorme bierliefhebber, RT), en uiteindelijk door mijn vermoeidheid. Maar niemand heb ik bewust onrecht aangedaan, wie ook. Indien er dan toch nog onrecht was, gebeurde het buiten mijn weten en enkel door onvermogen: ik betreur dit openbaar en smeek eenieder, die ik gekrenkt zou hebben, om vergiffenis.

We kunnen de regeerperiode van Karel V (1516-1555) niet enkel met de ogen van nu bezien. De tijden waren anders en vereisten ander leiderschap. Hij was de oudste zoon van de onder mysterieuze omstandigheden overleden hertog van Bourgondië, Filips de Schone (1478-1506), telg uit het huis Habsburg en vanaf 1504 koning van Castilië, en Johanna de Waanzinnige (1479-1555), die de dood van haar man niet kon verwerken en naar verluidt met zijn lijk en doodskist door Castilië struinde totdat zij werd gek verklaard en opgesloten (hoewel zij formeel koningin van Castilië bleef). Omdat hij te jong was bij de dood van zijn vader en de ontstentenis van zijn moeder, nam zijn grootvader Maximiliaan I van Oostenrijk (1459-1519), die al keizer van het Rooms-Duitse Rijk was, de honneurs waar over het nog bestaande Bourgondische Rijk, dat hij evenwel weer uitbesteede aan zijn dochter Margaretha van Oostenrijk (1480-1530). Daarmee hadden de Nederlanden hun eerste landvoogdes, die zetelde in de stad Mechelen.

Karel wordt in 1515 meerderjarig verklaard, om een jaar later de hele Spaanse troon te bestijgen als Karel (Carlos) I. Spanje (en ook Portugal) behoren dan naast de Duits-Oostenrijkse erflanden tot de Hausmacht van de Habsburgers. Het is echter goed gebruik dat de nieuwe koning en pater familias zich persoonlijk presenteert in alle gebieden waarover hij heerst. Tot 1519 blijft Margaretha de boel in de Lage Landen waarnemen, het jaar ook waarin Karel door de Duitse keurvorsten wordt aangewezen als Rooms koning en toekomstig keizer (Erwählter Römischer Kaiser).

Dit heeft nogal wat voeten in de aarde, want de Franse koning François I had het ook op die titel voorzien en werd daarin gesteund door paus Leo X (Giovanni de’Medici, 1475-1521). De Duitse keurvorsten zagen de Fransman helemaal niet zitten en zo werd het toch Karel, die vervolgens gedurende zijn hele regeerperiode in onmin met François bleef (vijf Habsburgse-Franse oorlogen). De keizerskroning vond in 1530 te Bologna plaats door paus Clemens VII (Giulio de’Medici, 1478-1534), de laatste keer dat zo’n ceremonie plaatsvond.

Als Rooms-Duits keizer bewerkstelligt Karel een laatste opleving van de keizerlijke macht, die niet op erfopvolging maar op verkiezing door keurvorsten gebaseerd is. Voor en na hem was en werd deze macht verzwakt en waren het de vele, afzonderlijke vorsten die de feitelijke dienst uitmaakten. Het was een hele tour de force de Duitse eenheid, waarvan ook het grootste deel van de Lage Landen deel uitmaakte, in stand te houden, te meer daar de Reformatie sinds 1517 in alle hevigheid was losgebarsten en nogal wat Duitse vorsten daarvoor sympathie koesterden. Het bepaalde voor een belangrijk deel het regeerprogramma van keizer Karel: 1. De bescherming van de Rooms-Katholieke Kerk en de paus (Advocatus ecclesiae), welke laatste hem toch gekroond had; 2. De bescherming van de christenheid tegen in- en externe vijanden, dat wil zeggen de protestanten en de islamitische “Turken” van het Ottomaanse Rijk; en 3. De handhaving van vrede en veiligheid door scheidsrechter te zijn tussen de christelijke (protestant en katholiek) vorsten met gebruikmaking van het Romeinse recht. Voor Karel was dit balanceren op een dun koord door naast onverzettelijkheid ook enige verdraagzaamheid te betonen. Tot zijn definitieve keizerskroning in 1530 (hij was natuurlijk nog behoorlijk jong), leunde hij zwaar op de adviezen van zijn bonne tante Margaretha van Oostenrijk en zijn grootkanselier (een soort eerste minister) Mercurino di Gattinara (1465-1530), die beiden toevallig ook in datzelfde jaar overleden.

Gattinara stond een sterk gecentraliseerd bestuur voor, verpersoonlijkt door de keizer (hij hield natuurlijk ook wel rekening met zijn eigen machtspositie), maar het Habsburgse Rijk was inmiddels zo uit de kluiten gewassen, dat Karel deze opvatting matigde door de invoering van een regentschapssysteem: de Spaanse en Duits-Oostenrijkse erflanden werden door hem onder de afzonderlijke landvoogd geplaatst, alsook het overblijfsel van het Bourgondische hertogdom, waarvan de Nederlanden inmiddels het kerngebied vormden. Achtereenvolgend kwamen Doornik (Tournai) en omgeving (1521), Friesland (1524), Neder- en Oversticht (Utrecht en Overijssel, 1528), Artesië (1529), Groningen en Drenthe (1536) en uiteindelijk ook het weerspanninge hertogdom Gelre (1543) onder centraal Habsburgs bestuur. Uiteindelijk zouden hieruit de Zeventien Verenigde Nederlanden ontstaan, waartoe nadrukkelijk het machtige prinsbisdom Luik van uitgesloten bleef (dit duurde nog tot 1795). In al die andere gewesten werd het bestuur geüniformeerd met de instelling van vier staatsinstituties (de Collaterale Raden) in 1531: de Raad van State (adviesorgaan van de hoge adel), de Raad van Financiën, de Geheime Raad (bestuurlijke zaken) en overkoepelend de Grote Raad van Mechelen, in feite een soort Staten-Generaal. In deze laatste namen steeds meer beroepsjuristen plaats, die niet uit de adel of geestelijkheid, maar uit de burgerij afkomstig waren, wat het verzet van de eerste twee standen opriep en het zelfbewustzijn van de laatste deed groeien. Er werd een kiem gelegd voor wat de Nederlandse Opstand genoemd wordt, een opstand die mede onder de vlag van de Reformatie zou gaan plaatsvinden.

Bij dit alles – de driedeling van het Habsburgse Rijk en de centralisatie binnen die drie delen – werd tevens de aanzet gegeven voor het ontstaan van nationale eenheidsstaten, waarvan Nederland er een zou worden. In 1521 was de feodale ruileconomie al overvleugeld door een groeiende geldeconomie (waarbij de Lombarden, handelaars en bankiers uit Lombardije) die in de Nederlanden gefaciliteerd werd met de invoering van een eenheidsmunt, de gulden.

De Nederlandse eenheid werd verder bevestigd door de Transactie van Augsburg (1548), waarbij de gewesten Gelre, de Stichten en Groningen werden losgeweekt van de Westfaalse Kreits van het Duitse Rijk en werden ondergebracht in de Bourgondische Kreits (waartoe de andere Nederlandse gewesten al behoorden), die echter buiten de jurisdictie kwam te vallen van het Reichskammergericht, zeg het hooggerechtshof van het Duitse Rijk (van een echte afscheiding was nog geen sprake, want de Bourgondische Kreits leverde wel twee keurvorsten voor de benoeming van een nieuwe keizer). De Pragmatieke Sanctie (1549), waarin werd bepaald dat de ertoe behorende gewesten één en ondeelbaar dienden te worden overgeërfd, maakte de zaak af. De facto was daarmee de Nederlandse staat geboren.

Het lukte Karel niet de Reformatie te stuiten. Nog in 1521 had hij Luther een vrijgeleide gegeven om zich te verdedigen tegenover de Rijksdag (de vergadering van keurvorsten) te Worms om zijn stellingen te herroepen. Maar nadat Luther zou hebben gezegd “Hier sta ik, ik kan niet anders” werd zijn leer in de ban gedaan met het Edict van Worms, maar hij kon ontkomen aan een proces door de hem aangenegen keurvorst Frederik de Wijze van Saksen, die hem onderdak bood in de Wartburg te Eisenach.

Karel heeft de zaken betreffende het Duitse Rijk (uitgezonderd dus de Bourgondische Kreits) in vol vertrouwen uitbesteed aan zijn broer Ferdinand (1503-1564, Rooms koning vanaf 1531 en keizer vanaf 1556), die zich ook maar moet zien te redderen in de twisten tussen de keurvorsten die zijn verergerd door hun verschillende gezindheid jegens de Reformatie. Wordt eerst nog het Schmalkaldisch Verbond tussen de protestantse vorsten (1531) de kop ingedrukt (1547), in 1555 besluit de Rijksdag tot de Godsdienstvrede van Augsburg: “cuius regio, eius religio“, zoiets als “hij die regeert maakt uit welke godsdienst zal gelden“. Dit was niet democratisch, want het sloot ter plaatse de belijdenis van een andere gezindte dan die van de heersende vorst uit, maar het bracht wel een adempauze in een anders ongetwijfeld bloedige strijd (die overigens nog zou komen). Keizer Karel heeft deze “vrede” als een soort dolkstoot in zijn rug ervaren, de belangrijkste reden ook om af te treden.

Dat laatste deed hij samen met zijn zuster en de sinds 1531 opererende landvoogdes der Nederlanden, Maria van Hongarije (1505-1558), die bekendstaat als zeer capabel en erudiet, maar toch ook maar op hoop van zegen moest zien hoe te laveren in een aanzwellende conflict. Eerder al had haar voorgangster Margaretha van Oostenrijk – hoewel ook vrijzinnig van aard – niet kunnen of willen tegenhouden dat in de Nederlanden de eerste ketters werden terechtgesteld: de lutheranen Jan van Essen en Hendrik Voes te Brussel (1523) en de uit de Moderne Devotie afkomstige priester Jan de Bakker te Den Haag (1525), “te povre toe gebrant zulcx dat van hem geene memorie meer zij“.

Karel wees een jaar na zijn abdicatie zijn broer Ferdinand (I) aan als opvolger in het Heilige Roomse Rijk en de Oostenrijkse erflanden en zijn zoon Filips (II) als Spaans koning met inbegrip van de Bourgondische Kreits, lees de Nederlanden. Karel trok zich terug in Spanje om zijn leven en daden te overpeinzen, maar lang heeft dan niet geduurd. In 1558 stierf hij en had Filips in zijn streken het rijk alleen. Hij had geen affiniteit met de Nederlanden en beging blunder op blunder: de weg naar de hel is nu eenmaal geplaveid met goede voornemens. De Opstand der Nederlanden kon beginnen en men verlangde soms terug naar die keizer Karel, die ondanks alles niet de beroerdste was.

8. Een opstand wordt steeds onvermijdelijker

“They’re just peasants” was een populaire uitspraak die prins Blackadder (Rowan Atkinson) in de Britse sitcom met veel dedain deed. Volks- en boerenopstanden zijn door het gezag meestal wel met meer of minder moeite neer te slaan en vormen daardoor geen structurele bedreiging voor de heersende macht. Maarten Luther zag zijn hervormingsprogramma bedreigd toen tussen 1524 en 1525 overal in het Duitse Rijk boerenoproer oplaaide, oproer tegen de onmogelijke belastingeisen van de overigens zelf verarmde, lage landadel en onder de vlag van de Reformatie. Dat laatste werd onder andere verdedigd door de evangelische theoloog Thomas Müntzer (of: Munzer, 1490-1525), die zich van Luther vervreemdde door op te roepen tot gewapend verzet tegens de zijns inziens feodale onderdrukking. Luther vreesde dat hierdoor de hele Reformatie nog verder in een kwaad daglicht zou komen te staan en riep de vorsten van de talrijke Duitse staatjes op de opstanden neer te sabelen, hetgeen gebeurde en slaagde met de Slag van Frankenhausen (1525). Müntzer wordt onthoofd, de boeren vogelvrij verklaard en verliezen daarmee hun laatste rechten. Zij worden eigendom van de landsheer en dat zal nog tot in de 19e eeuw zo blijven. De lagere landadel werd van haar laatste privileges beroofd en ondergeschikt gemaakt aan de zich steeds absolutistischer gedragende vorsten. Deze hele ontwikkeling tekent de Duitse geschiedenis, waar het met machtsdeling en democratisering maar niet vlotten wil. Müntzer werd door de DDR opgenomen in het communistische martelarenkabinet: hij sierde het bankbiljet van 5 mark en zijn geboorteplaats Stolberg (Harz) was een van de weinige, goed onderhouden uithangborden van de “eerste boeren- en arbeidersstaat op Duitse bodem“.

Het is maar mijn speculatie dat de in 1556 aangetreden landsheer der Nederlanden, koning Filips II van Spanje, erop heeft vertrouwd dat de onrust in de Lage Landen op dezelfde wijze als de Duitse boerenopstand (die naar schatting 70,000 mensen het leven kostte) kon worden neergeslagen. Waar hij dan niet op gerekend had, wat dat de uiteindelijke Nederlandse Opstand een veel breder draagvlak genoot dan alleen ontevreden boeren. Lage landadel bestond sowieso niet of nauwelijks in onze contreien, daarvoor was de bodemgesteldheid ongeschikt (zie paragraaf 4).

Anders dan zijn vader Karel V beschikte Filips II (1527-1598) over een onbuigzaam karakter dat tevens trekjes vertoonde van perfectionisme en controledwang. Hij was ook niet in de Nederlanden geboren, sprak de taal niet en zelfs geen Duits, Frans of Engels (wel Spaans en Latijn, want geheel onderontwikkeld was hij niet). Maar een jaar of drie, tot 1559, verbleef hij in de Nederlanden waar zijn gruwel over de ongedwongenheid en in zijn ogen brutaliteit van zelfs het hogere volk alleen maar toenam. Sterker dan zijn vader was hij ervan overtuigd dat zijn koningschap van goddelijke oorsprong was en dat hij als zelfverklaarde leider van de contrareformatie een niets ontziende strijd moest voeren tegen alles wat de Rooms-Katholieke Kerk in de weg stond: protestanten, joden en de Moorse en Ottomaanse moslims, waarbij hij ook de Godsdienstvrede van Augsburg (1555) wilde herroepen (wat niet kon, omdat hij daarover niet het gezag had; graag had hij Duits keizer willen worden, maar zelfs de katholieke Duitse vorsten zagen niets in een Spaanse bemoeial die niet eens hun taal sprak). Dat hij in Spanje bekendstaat als el rey prudente (de “voorzichtige koning”) verwijst niet daarnaar, maar naar zijn zucht om zich met alle details van het staatsbestuur te bemoeien. Dit leidde geregeld tot vertraging waar spoed gemaand was.

Bij zijn definitieve vertrek uit de Nederlanden in 1559 liet hij daar het bestuur over aan zijn halfzus Margaretha van Parma (1522-1586), die als landvoogdes meer in de geest van Karel V regeerde en daarom ook een zekere sympathie wist te behouden. Zij verkeerde ook niet op slechte voet met Willem van Oranje (1533-1584), die weliswaar luthers was opgevoed, maar zich had bekend tot de Roomse Kerk om zijn diplomatieke en politieke functies in de Nederlanden te kunnen vervullen. Zoals we gezien hebben, stond deze Willem ook bij Karel V op een voetstuk: “Houd deze jongeman in ere, hij kan je waardevolste raadgever en steun zijn“, had hij Filips nog zo toevertrouwd, maar Willems affiniteit met de humanist Erasmus en zijn huwelijk met de uit een lutherse familie afkomstige Anna van Saksen (1544-1577) deed bij Filips de emmer overlopen. Het kwam tot een niet meer geheelde breuk (het huwelijk tussen Willem en Anna, dat duurde van 1561 tot 1571, was ronduit slecht; Anna werd krankzinnig verklaard en zonder haar kinderen ooit nog te zien opgesloten in het paleis van de Saksische keurvorst te Dresden; zij is dan ook grotendeels uit de Nederlandse geschiedschrijving weggeschreven en er zijn ook nauwelijks straatnamen naar haar vernoemd, waar die er wel van de drie andere vrouwen van Willem zijn).

Ondertussen heeft de Reformatie met name in Vlaanderen, Zeeland en Holland vaste grond onder de voeten gekregen. Nog even vertrouwt de Nederlandse adel op de redelijkheid van Filips en zijn landvoogdes Margaretha. Dat vertrouwen leek gewettigd door de terugroeping in 1564 van Filips’ staatssecretaris en grootzegelbewaarder Antoine Perrenot de Granvelle (1517-1587), die zich in die functies door zijn “anti-ketterse maatregelen” onmogelijk had gemaakt, wat nog werd verergerd door zijn benoeming tot kardinaal en aartsbisschop van Mechelen in 1561. Na zijn vertrek richtten de edelen zich met een smeekbede tot Margaretha van Parma (Filips liet in het verre Spanje niets van zich horen), waarin zij verzochten de meest drastische maatregelen (met name het helse werk van de inquisitie) onder dreiging van een gewapende opstand in te trekken. Nadrukkelijk bleven zij trouw aan de koning, de regering en de kerk zweren, het was dus nog een compromisvoorstel. Hoewel één van haar adviseurs het nog wilde afdoen met “Ils sont que des gueux” (“Zij zijn slechts schooiers“), komt Margaretha de edelen tegemoet. In een overwinningsroes zien echter radicale protestanten hun kans schoon olie op het vuur te gooien. Overal in het land vinden opruiende preken in de open lucht plaats (de zogenaamde hagepreken), terwijl in 1566 vanuit het nu in Frankrijk gelegen, maar Vlaamse Steenvoorde de aftrap voor de beeldenstorm wordt gegeven. Veel als afgodverering beschouwde franje van de Rooms-Katholieke Kerk moet eraan geloven en de woede verspreidt zich als een inktvlek over de gewesten.

Filips grijpt in en vervangt in 1567 de toegeeflijke Margaretha door een volstrekte vreemdeling en houwdegen in de Nederlanden, Fernando Álvarez de Toledo, hertog van Alba (of: Alva, 1507-1582), die als nieuwe landvoogd orde op zaken moet gaan stellen. De ijzeren hertog gooit echter alleen maar meer olie op het vuur door de invoering van de tiende penning, een extra belastingheffing die niet alleen de kosten van de “pacificatie” der Nederlanden moet dekken, maar ook die van de inmiddels verarmde Spaanse economie ten gevolge van de tegenvallende opbrengsten uit de overzeese koloniën. De Nederlandse Opstand is een feit.

Tenslotte nog een keer dit: velen van ons hebben geleerd over de Tachtigjarige Oorlog, die zou zijn begonnen met de Slag bij Heiligerlee (1568) en eindigde met de Vrede van Münster in Westfalen (1648). Afgezien van wat kortere periodes is er echter geen sprake geweest van een onafgebroken gewapende strijd tussen twee immer parate legers. Daarom wordt er onder historici niet meer van zo’n oorlog gesproken, maar van de Nederlandse Opstand, een aaneenschakeling van heftige en minder heftige schermutselingen met periodes van relatieve rust ertussendoor. Ware het een echte oorlog, dan zou het ook niet mogelijk zijn geweest dat uitgerekend in deze periode de Nederlanden hun bloeitijd beleefden, die wij kennen als de Gouden Eeuw (de 17e eeuw).

9. Calvinisten en wederdopers

Misschien is het te veel gezegd dat zonder godsdiensttwisten geen Nederlandse onafhankelijkheid zou zijn gekomen. Ten opzichte van de ons omringende streken waren sociale, culturele en economische factoren al ruimschoots te onderscheiden. De Reformatie, die in feite een import-product uit diep-Duitse contreien was, heeft dan slechts als een katalysator gewerkt, in samenhang met het hardvochtige optreden van de Spaanse landheer, in het bijzonder koning Filips II.

Het beroep op een andere geloofsopvatting was een handige en wellicht ook wel verstandige legitimatie voor de Nederlandse Opstand, die uiteindelijk in 1648 tot een algemeen aanvaarde onafhankelijkheid leidde van een natie waarvan de voorlieden zich lieten voorstaan op een gereformeerde geloofsbelijdenis die in hoge mate verenigd was met de staatsopvatting en de levenswijze van de mensen, die hun onderdanen waren.

Aanvankelijk streefde men helemaal niet naar een kerkscheuring: slechts de aanpak van misstanden binnen de Rooms-Katholieke Kerk was het doel, met slechts de uitnodiging aan anderen – hoewel vaak opdringerig – daaraan mee te doen of er gevolg aan te geven. Dit was zowel het idee van de lutheranen als van de later opgekomen calvinisten. In de Nederlanden wonnen de laatsten in overgrote meerderheid het pleit.

Jehan Cauvin ofwel Johannes Calvijn (1509-1564) bracht zijn geloofsopvatting onder woorden in Institutio seu Instructio religionis Christianae (Institutie of onderwijzing in de christelijke religie). Het belangrijkste uitgangspunt daarin was dat de Bijbel het Enige Ware Woord Gods is. Dit Woord moet verinnerlijkt worden, waarbij het er nauwelijks toe doet hoe zich dat uit in het alledaags handelen van de mens. God heeft immers, volgens Calvijn, bij de Schepping al bepaald wie tot de zaligen in het hiernamaals zijn uitverkoren en wie niet. Dat is de leer van de predestinatie, de voorbeschikking.

Op deze overtuiging bouwde de Waalse predikant Guy de Bray of Guido de Brès (1522-1567) voort. In 1561 publiceerde hij zijn Confessio Belgica ofwel de Nederlandse Geloofsbelijdenis, die in de eerste plaats bestemd was om koning Filips II ervan te overtuigen dat de gereformeerden (dat was toen de algemene term voor de reformatoren) geen oproerkraaiers of ketters zijn die de staat of de kerk in gevaar wensten te brengen, maar enkel erop uit waren de oorspronkelijke betekenis van het christen-zijn nieuw leven in te blazen. De geloofsbelijdenis bestond eruit, dat God enkel uit zijn Genade de mensen wil verlossen van hun aardse beslommeringen (solo gratia = alleen door genade) en dat dat alleen maar kan door volharding in het geloof (solo fide = enkel door geloof). Het eerste was niet in tegenspraak met de Roomse leer, het tweede wel: niet alleen het geloof, maar ook de werken van de mens leiden volgens de Roomse Kerk tot de verlossing, wat aanleiding gaf voor het kunnen uitspreken van absolutie (het zonder gevolg opbiechten van zonden) door geestelijken en de daardoor ontstane handel in aflaten.

Guido de Brès wierp zijn Geloofsbelijdenis over de muur van de citadel van Doornik (Tournai), waar op dat moment de landvoogdes Margaretha van Parma verbleef, in de hoop dat zij het werk tot zich nam (wat zij deed) en zou doorsturen naar de koning (wat zij waarschijnlijk niet deed). Een jaar later, 1562, werd de Geloofsbelijdenis in geheime druk te Emden uitgegeven en van daar verspreid. De havenstad Emden, die viel onder het Duitse en lutherse graafschap Oost-Friesland, was op dat moment al een toevluchtsoord geworden voor vervolgde protestanten in de Nederlanden en Frankrijk, die er ook het stadsbestuur in toenemende mate begonnen te domineren.

De Brès, teruggekeerd naar het zuiden, kon vervolging niet voorkomen: in 1567 werd hij te Valencijn (Valenciennes) opgehangen. Zijn naam is tegenwoordig verbonden aan reformatorische scholengemeenschappen en aan het wetenschappelijk bureau van de SGP.

De Nederlandse Geloofsbelijdenis (later ook wel de reformatorische of calvinistische beginselen genoemd) werd tijdens een vergadering waarbij vertegenwoordigers van de meeste in de Nederlanden opererende, protestantse geloofsrichtingen aanwezig waren, in 1571 wederom te Emden opgenomen als een van de Drie Formulieren van Enigheid, die de basis vormen van de Nederduits Gereformeerde Kerk (van 1816 tot 2004 Nederlands Hervormde Kerk), die het karakter van een staatskerk kreeg na de Nederlandse onafhankelijkheidsverklaring van 1581. De overige twee Formulieren zijn de Heidelbergse catechismus (bestaande uit antwoorden op belangrijke geloofsvragen) en de Dordtse Leerregels, zoals vastgesteld tijdens de Synode van Dordrecht in 1618 en 1619 (dus later toegevoegd).

De idee van de Nederlandse Geloofsbelijdenis was mede ingegeven door het optreden van een veel radicalere en revolutionaire groep hervormers, de wederdopers of anabaptisten. Zij vonden dat de doop pas kon plaatsvinden in volwassenheid en na verinnerlijking van de relatie met God en Zijn Woord. De gedachte was een uitwerking van de ideeën van de Zwitserse kerkhervormer Zwingli en naar de Nederlanden overgebracht door de predikant Melchior Hofmann (ca. 1500-1543). Hofmann hing een apocalyptisch geloof aan, wat hem ertoe bewoog de mensen “te redden” vooraleer het einde der tijden zou aanbreken. Dit werd door hem en zijn aanhangers zo luidkeels uitgedragen, dat het leidde tot nietsontziende vervolging door de autoriteiten. De meer rekkelijke gereformeerden zagen hierin ook een gevaar voor hun eigen lijf en leden en keerden zich derhalve af van de wederdopers. Een Leidse kleermaker genaamd Johan Beukelszoon, beter bekend als Jan van Leiden (1509-1536) raakte echter in de ban van Hofmann en slaagde erin vervolging in de Nederlanden te voorkomen door met zijn volgelingen op te trekken naar Münster in Westfalen, waar hij het voor elkaar kreeg de macht over te nemen en het Koninkrijk Sion op te richten. In hoeverre hij daar daadwerkelijk een schrikbewind vestigde, is onduidelijk daar de verslagen allemaal zijn geschreven door zijn overwinnaars. Het “koninkrijk” bestond dan ook maar kort in 1534 en 1535. Jan van Leiden en de meeste van zijn sekte (want zo kun je het noemen) zijn daarop op een afschuwelijke manier ter dood gebracht. De kooien waarin zij gemarteld, gedood en vergaan zijn, hangen nog steeds (of alweer) aan de toren van de Lambertikerk te Münster.

Het optreden van Jan van Leiden mag als een aberratie van de wederdopers gezien worden. De gedachte bleef in gematigder vorm voortleven, waarin de Friese priester Menno Simons (ca. 1496-1561) de hoofdrol speelde. Tot op de dag van vandaag treffen we in Nederland een concentratie wederdopers in Friesland aan, die nu vooral bekendstaan onder de naam doopsgezinden of mennonieten. Deze geloofsrichting heeft zich ook verspreid in de Verenigde Staten, met name in de staat Pennsylvania, waar een ultra-orthodoxe richting huis houdt als de amish. Er zijn echter ook meer progressieve doopsgezinden. Allen hebben echter de eigenschap een strikte scheiding tussen kerk en staat voor te staan, wat op zich dan weer een moderniserende werking had.

Bij dit deel van de geschiedenis dringt zich de gedachte op hoe er moet worden omgegaan met hedendaagse conflicten, die onder de vlag van een of andere geloofsbelijdenis worden gevoerd. Het lijkt ongepast om een hele geloofsgemeenschap af te meten aan slechts haar radicaalste en miltantste leden. Orthodoxe joden noch alle salafisten binnen de islam zijn oproerkraaiers of gevaarlijke ketters. Eerder is het zo, dat abnormaal geweld om geloofsredenen een bijkomend effect van een emancipatieproces is dat leidt tot hervorming van misstanden binnen een bredere geloofsrichting, zoals bijvoorbeeld de islam. Dan ligt vreedzame coëxistentie in het verschiet.

10. Van de bloedraad tot de scheuring der Nederlanden

De hertog van Alva was door Filips II naar de Nederlanden gezonden om, na de beeldenstorm, met harde hand orde op zaken te stellen. De eerste maatregel die de opstandelingen trof was de instelling van de Raad van Beroerten (Conseil des Troubles) die al snel de lugubere bijnaam “bloedraad” kreeg. De taak van de raad was de vervolging en veroordeling van iedereen, die aan de “troebelen” van 1566 en 1567 had deelgenomen. Om aan vervolging te ontkomen, vluchtten veel edelen uit de Lage Landen, waaronder Willem van Oranje, die zich terugtrok in zijn familiale domein te Dillenburg. De “bloedraad” zou uiteindelijk in vijf jaar tijd meer dan duizend mensen ter dood veroordelen en nog eens meer dan elfduizend verbannen met verbeurdverklaring van goederen. Onder de terechtgestelden bevonden zich onder andere de twee invloedrijke graven Van Egmont en Horne, te Brussel in 1568.

Willem van Oranje was inmiddels ook door de raad gedagvaard, nadat die alvast zijn zoon Filips Willem naar Spanje had “ontvoerd” en zijn bezittingen in de Nederlanden had geconfisqueerd. Willem schrijft nog een verweer, dat niets uithaalt en besluit daarop tot een inval in de Nederlanden. Deze Eerste Invasie van Oranje (1568) mislukt echter, hoewel de Slag bij Heiligerlee ondanks het sneuvelen van zijn broer Adolf gewonnen wordt. De winst wordt echter tenietgedaan bij de daaropvolgende Slag bij Jemmingen (het huidige Jemgum in Oost-Friesland). De mislukking is te wijten aan het uitblijven van voldoende steun onder de bevolking, die van de protestantse Duitse vorsten en van de Franse hugenoten.

Voorlopig had de invasie een averechts effect: de onderdrukking door Alva nam toe en met name de invoering van de Tiende Penning (een soort btw) in 1569, bedoeld voor de bekostiging van de Spaanse bezettingsmacht, zette nog meer kwaad bloed, zelfs onder gezagsgetrouwe katholieken (overigens was Willem van Oranje, hoewel luthers opgevoed, nog tot 1573 formeel Rooms-Katholiek).

De Tiende Penning raakte de handel en het werd er niet beter op toen in 1571 ook nog een pestepidemie heerste, waarvan sommigen de schuld bij de Spanjaarden legden, en Spaanse troepen zich in 1572 te buiten gingen aan slachtingen onder de bevolking van onder andere Mechelen, Naarden en Zutphen (onder orthodoxe protestanten valt soms nog steeds te horen, als het gaat om samenwerking met de katholieken: “Wij zijn Naarden en Zutphen nog niet vergeten!“).

Inmiddels waren de watergeuzen (je had op land ook de bosgeuzen) ook actief geworden. Zij werden voornamelijk geleid door calvinisten uit het Waalse zuiden, die allerlei aan de grond geraakte types als manschappen rekruteerden. Toen Engeland als uitvalsbasis verviel, slaagden zij erin de stad Brielle (Den Briel) op 1 april 1572 in te nemen. Nadat ook Gorinchem (juni) in hun handen kwam, werden tegen beloftes van ongemoeidheid in negentien katholieke priesters en leken naar Brielle overgebracht en daar op gruwelijke wijze vermoord. Dit zijn de Martelaren van Gorcum, die in 1867 door de Roomse Kerk zijn heilig verklaard en in 1972 ook in Nederland eerherstel kregen: koningin Juliana woonde hun nagedachtenis, geleid door kardinaal Alfrink, bij.

De moordpartijen (later zouden Oranjes troepen te Roermond een nog grotere lynchpartij plegen op 23 katholieken, de Martelaren van Roermond) werden door de Spanjaarden niet meer vervolgd, Willem van Oranje hield er zijn mond over. De “successen” van de watergeuzen leidden tot een golf van machtsgrepen in andere steden. Tijdens een bijzondere vergadering van de Staten van Holland te Dordrecht (15-29 juli 1572) deed Willem via zijn gezant Filips van Marnix van Sint-Aldegonde (misschien de schrijver van het Wilhelmus) een oproep tot financiële steun in ruil voor bescherming van de veroverde steden aan de Tweede Invasie van Oranje, die reeds in mei was aangevangen maar al met al ook geen succes werd. De steun van de bevolking en van de hugenoten leek nu wel verzekerd, maar de laatsten werden op 17 juli bij Saint-Ghislain tegengehouden. Als in de nacht van 23 op 24 augustus 1572 te Parijs de Bartholomeüsnacht plaatsvindt, waarbij feestende hugenoten door verraad worden afgeslacht, kan de steun van die zijde wel vergeten worden. Alva lijkt weer de overhand te krijgen, de geuzen geven zich over aan nieuwe moordpartijen (Alkmaar en Ransdorp onder leiding van Diederik Sonoy) en Haarlem wordt na een lang beleg in december weer door de Spanjaarden heroverd (hieraan is de naam van Kenau Simonsdochter Hasselaer verbonden).

Toch wordt de toestand voor de Spanjaarden steeds onhoudbaarder. De verliezen zijn groot, de Spaanse schatkist is uitgeput en de soldij wordt nauwelijks nog uitbetaald. Alkmaar wordt in 1573 door de geuzen ontzet (“In Alkmaar begint de victorie”), Leiden volgt in 1574. Inmiddels ziet Alva in dat zijn missie is mislukt. “Om gezondheidsredenen” wordt hij teruggeroepen en vervangen door Don Luis de Zuñega y Requesens, die in 1574 de Raad van Beroerten en de Tiende Penning afschaft en een generaal pardon voor de opstandelingen afkondigt, met uitzondering van Willem van Oranje en diens directe aanhang en protestantse predikanten. Nog in 1574 moet Willem de dood van zijn twee overgebleven, jongere broers Lodewijk en Hendrik verwerken bij de Slag op de Mookerheide.

Requesens overlijdt onverwacht in 1576. Het is moeilijk een opvolger te vinden omdat kandidaten vanwege de moeilijke taak voor de eer bedanken. Don Juan van Oostenrijk kan echter moeilijk weigeren, omdat Filips II erachter is gekomen dat hij heimelijk aast op de Spaanse troon. Na een moeizame tocht door het anti-Spaanse Frankrijk (hij moet zich als Moor vermommen) is hij koud in de Nederlanden aangekomen als Spaanse troepen aan het muiten en plunderen slaan in Antwerpen (de Spaanse Furie, 4 november 1576). De gruwel die dit zowel onder protestanten als katholieken opwekt, is zo groot dat de gewesten een Generale Unie tot stand willen brengen. Die wordt bezegeld bij de Pacificatie van Gent (8 november, men laat er kennelijk geen gras over groeien). Het lijkt de grootste overwinning voor Willem van Oranje in zijn streven naar Nederlandse eenheid, maar het blijkt een pyrrusoverwinning. Bij de Pacificatie wordt de macht van de Spaanse kroon (die op zichzelf niet ter discussie staat) ten faveure van de Nederlandse edelen ingetoomd, maar men wordt het niet eens over godsdienstkwesties. Desondanks wordt op 27 februari 1577 het Eeuwig Edict afgekondigd, een akkoord tussen de Staten Generaal en de landvoogd Don Juan, dat tandenknarsend door Filips II wordt geaccepteerd. Het edict levert een wapenstilstand op, die echter al op 24 juli door Don Juan wordt verbroken met de inname van de citadel van Namen. De Staten beraden zich daarop over een andere samenwerking, die gestalte krijgt in de Unie van Brussel.

Willem van Oranje heeft geen rechtstreekse zeggenschap in de beraadslagingen. Na twee sessies behelst de Unie van Brussel het waarborgen van katholieke geloofsuitingen in Holland en Zeeland, die stevig in calvinistisch vaarwater liggen en het respecteren van protestantse uitingen in de verder nog overwegend katholieke gewesten. Niet vergeten mag worden, dat de Nederlandse Opstand niet helemaal het karakter van een volksopstand had, maar meer een aangelegenheid van edelen en invloedrijke burgers was: een belangrijk deel van “het volk” bleef de katholieke rituelen trouw. Buiten Holland, Zeeland en een aantal verspreide steden bestond alleen in Friesland een aanzienlijk protestants volksaandeel, de mennonieten, aanhangers van Menno Simons (zie paragraaf 9).

Don Juan overlijdt in 1578 aan de tyfus. Zijn opvolger als landvoogd wordt Alexander Farnese (de latere hertog van Parma), zeer tegen de zin van de Staten Generaal in, die ene Mathias van Oostenrijk op het oog had. Filips ontbindt daarop de Staten Generaal en zegt daarmee feitelijk de erkenning van de Pacificatie van Gent en het Eeuwig Edict op. De missie van Farnese is de herovering van de opstandige gewesten. De strijd die dit met zich mee zal brengen is voor een aantal zuidelijke gewesten, die daar geen zin in hebben, aanleiding om uit de Unie van Brussel te treden en daarvoor in de plaats de Unie van Atrecht (Arras) aan te gaan, hetgeen op 6 januari 1579 bezegeld wordt. Omdat deze Unie geen rechten toekent aan protestanten, reageren de noordelijke gewesten reeds op 23 januari met de oprichting van de Unie van Utrecht. De splitsing van de Nederlanden in een Staats en een Spaans deel is een feit. De droom van één en een ondeelbaar conglomeraat van Nederlandse gewesten van Willem van Oranje ligt hiermee in duigen. De toetreding van noordelijke gewesten en steden tot de Unie van Utrecht heeft nog veel voeten in de aarde. Voor mijn Amersfoortse lezers: onze stad trad op 10 maart noodgedwongen toe na een inval door Jan van Nassau en de overname van het gemengd calvinistisch-katholieke stadsbestuur.

Uiteraard wordt de Unie van Utrecht door Spanje niet erkend. Ook blijft het onduidelijk welke staatsstructuur de geünieerde gewesten zullen aannemen en hoe de grens met de Spaanse Nederlanden definitief zal verlopen. Daarvoor zal nog heel wat water door de Rijn, de Maas en de Schelde moeten vloeien. Wel wordt de facto de onafhankelijkheid van de Noordelijke Nederlanden op 22 juli 1581 te Den Haag afgekondigd met het Plakkaat van Verlatinghe door de eenzijdige afzetting van Filips II als heer der Nederlanden.

11. Uit nood wordt goud gebaard en uit goud gif

Op 10 juni 1584 overlijdt de beoogd opvolger van de Franse kroon, François hertog van Anjou, aan tuberculose. Henri de Navarre wordt nu de kroonprins. Hij is calvinist. Hoewel Henri III nog de koning van Frankrijk is, knopen de Staten Generaal der Nederlanden en Willem van Oranje onderhandelingen met Navarre aan. Die lopen echter vast. De toenadering is een belangrijke drijfveer voor Balthasar Gérard (ca. 1557-1584) om Willem van Oranje te vermoorden, 10 juli 1584.

De Nederlandse Opstand lijkt mislukt. Er ontstaat een machtsvacuüm, de opvolger van Willem, Maurits van Nassau (1567-1625), is te jong. Alexander Farnese, de landvoogd, neemt op 27 augustus 1585 Antwerpen in. Protestanten uit het zuiden vluchten naar het noorden, maar ook katholieken uit het noorden vluchten naar het zuiden. Het zaaiveld is rijp voor de scheiding van de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden, die tot 1815 zal duren en na 1831 weer wordt voortgezet.

Dertien dagen voor de Val van Antwerpen weigert de Engelse koningin Elisabeth I (1533-1603) de soevereiniteit der Nederlanden volmondig te erkennen om verdere escalatie in het conflict met de Spanjaarden te voorkomen. Wel stuurt zij haar vertrouweling Robert Dudley, 1e graaf van Leicester (1533-1588) met zesduizend man naar de Lage Landen, waar hij van 1585 tot 1587 “waarnemend” landvoogd wordt. De interventie loopt uit op een fiasco (Leicester blijkt niet capabel als legeraanvoerder) en de inmiddels invloedrijke Johan van Oldenbarnevelt (1547-1619), die in 1586 landsadvocaat en raadpensionaris van de Staten van Holland is geworden, dwingt hem zijn legermacht af te staan en de Nederlanden te verlaten (1587). Inmiddels is Maurits in november 1585 stadhouder van Holland en Zeeland geworden.

Van Oldenbarnevelt is al sinds 1572 een vertrouweling geweest van Willem van Oranje en de mentor van Maurits. Hoewel zijn functies formeel slechts administratief zijn, fungeert hij samen met Maurits als een elkaar perfect aanvullend duo: Johan als de politicus, Maurits als de militaire strateeg. Mede hierom wordt afgezien van het aanstellen, na het vertrek van Leicester, van een nieuwe landvoogd. Bij de Justificatie of Deductie in 1587 komt de staatsmacht te liggen bij de Staten Generaal, een gedeelde macht dus, een document dat is opgesteld door François Vranck (of Vrancken, ca. 1555-1617) en voluit luidt: Corte Verthooninge van het Recht by den Ridderschap, Edelen, ende Steden van Hollandt en Westvrieslant van allen ouden tyden in den voorschreven Lande gebruyckt. Formeel wordt de mogelijkheid om een eenhoofdige staatsmacht aan te stellen nog open gelaten, zo lang de soevereiniteit van de gewesten en steden maar gewaarborgd blijft. Ook blijven de Nederlanden onderdeel uitmaken van van het Heilige Roomse Rijk der Duitse Natie. De mogelijkheid van een eenhoofdige staatsmacht wordt echter reeds in 1588 geschrapt, waarmee de Nederlanden niet alleen feitelijk, maar ook juridisch een republiek zijn geworden met de Staten Generaal als hoogste gezag.

De nieuwe republiek kan haar macht versterken, waarmee de ogenschijnlijk mislukte opstand nieuw leven ingeblazen wordt. Koning Filips II raakt gedesinteresseerd in de Nederlandse roerigheden, daar hij al genoeg te stellen heeft met de Franse hugenotenoorlogen. Ook de in de zuidelijke Nederlanden nog actieve landvoogd Farnese kan daarom zijn tot dan toe redelijk succesvolle opmars in het noorden niet voortzetten. Hij wordt vanaf 1590 gedwongen zich te richten op inmenging in Franse aangelegenheden. Dat maakt het Van Oldenbarnevelt en Maurits mogelijk om de steden aan de grenzen van de republiek een voor een in te nemen: het sluiten van de Tuin van de Republiek.

Een grote oorlogsvloot, de Armada, die door Filips in 1588 is opgetuigd om voorgoed een einde te maken aan de voor hem hinderlijke machinaties van Elisabeth van Engeland, gaat roemloos ten onder. Als zondebok moet Farnese dienen, die vlak voor zijn dood in 1592 uit zijn landvoogdschap in de Zuidelijke Nederlanden wordt ontheven.

De hele periode van 1588 tot 1609 wordt gekenmerkt door een gewapend machtsevenwicht met wisselende successen voor beide partijen. De uitzichtloosheid hiervan leidt in 1609 tot het Twaalfjarig Bestand. Ondertussen is er een definitieve verwijdering ontstaan tussen Van Oldenbarnevelt en Maurits. De aanleiding is het op gezag van de eerste sturen van een vloot naar Duinkerke om daar de Spaansgezinde kapers uit te schakelen. Maurits voert de actie met tegenzin uit en al wordt onderweg de Slag bij Nieuwpoort (1600) gewonnen, de verliezen zijn zo groot dat vervolgsuccessen in gevaar komen. Wel is ook de Spaanse hegemonie ter zee dusdanig aangetast, dat in 1602 de Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC) wordt opgericht.

Maurits is tegen het bestand van 1609, omdat dat de Spaanse troepen gelegenheid geeft om op krachten te komen. Wel is het bestand de eerste stap naar erkenning van de Republiek (want een bestand sluit je niet af met een macht die je niet erkent) en ontstaat erdoor een periode van rust, die zowel in het noorden als in het zuiden culturele en economische bloei bewerkstelligt.

In de Zuidelijke Nederlanden leiden de landvoogden Albrecht VII van Oostenrijk (1559-1621) en zijn vrouw Isabella van Spanje (1566-1633) namens de Oostenrijkse Habsburgers een bekwaam bestuur, dat de positie van de Rooms-Katholieke Kerk versterkt en de kunsten bevordert. Met name in Antwerpen, bekomen van de Val, breekt een periode van culturele bloei aan (Rubens!). De Republiek kan zich door de ontstane rust toeleggen op de uitbreiding van de handel en begeeft zich in wat we kennen als de Gouden Eeuw.  Mede door de VOC begeeft de Republiek zich in ontdekkingsreizen en het stichten van koloniën overzee, die overigens formeel niet van de staat zijn, maar privé-eigendom van de VOC, die in feite een naamloze vennootschap is (de eerste ter wereld).

Nu de externe vijand van de Republiek goeddeels is weggevallen, komt de interne verdeeldheid onder de gereformeerden naar boven. Het conflict speelt zich af rond twee hoogleraren aan de in 1575 opgerichte universiteit van Leiden (de eerste in de Noordelijke Nederlanden), Arminius en Gomarus. Het conflict ontaardt in religieuze intolerantie, het einde van Van Oldenbarnevelt en een toenemende invloed van de Oranje-dynastie.

12. Machtsstrijd, intolerantie en onafhankelijkheid

Wie dacht dat onze Gouden Eeuw naast een eeuw van economische voorspoed ook een eeuw van pais en vree was, zit er behoorlijk naast. Het is net als tijdens de renaissance. De zeventiende eeuw was een eeuw van verandering en elke verandering gaat met horten en stoten gepaard. De mens moet zich steeds, zonder garantie op succes, aanpassen aan de veranderende omstandigheden, lonkt daarbij naar voortschrijdende vernieuwing of klampt zich vast aan de zekerheden die met hem in het moeras verzinken.

De afscheiding van de Noordelijke Nederlanden in 1581 was gebaseerd op een idee, een idee dat bestond uit de handhaving van verworven rechten van gewesten en steden en uit het streven naar religieuze tolerantie, misschien beter gewetensvrijheid, maar atheïsme was toentertijd nog een brug te ver. Mocht de grote filosoof Baruch Spinoza (1632-1677), die God net niet helemaal had afgezworen, nog de genade ontvangen dat hij “slechts” werd geëxcommuniceerd uit de joodse gemeenschap (overigens een uiterst zeldzaam verschijnsel), zijn verdergaande geestverwant Adriaen Koerbagh (1632-1669) verkommerde in het Amsterdamse rasphuis (de eerste strafgevangenis ter wereld) met het raspen van brésilhout ten behoeve van de schepen van de VOC. Misschien had een volksjongen, waarvoor het rasphuis ook bedoeld was in plaats van het schavot, het overleefd, maar niet de fijnzinnige Koerbagh, die als arts en filosoof tot de betere kringen behoorde en de hardheid van het tuchthuisbestaan niet kon verdragen.

Over de gewetensvrijheid of religieuze tolerantie die de nieuwe Republiek in naam voorstond, hoeven we ons dus geen illusies te maken en die illusies verdampten verder toen het dispuut tussen de twee grote godgeleerden van de tijd werd beslecht door het meer onverdraagzame kamp. De Leidse hoogleraar Franciscus Gomarus (eig. François Gomaer, 1563-1641) was een calvinist pur sang en vond in stadhouder Maurits zijn bondgenoot. Daartegenover stond de andere Leidse hoogleraar Jacobus Arminius (eig. Jacobus Hermansz, ca. 1559-1609), die niets zag in de toenemende invloed van de Oranjes en in tegenstelling tot Gomarus het bestaan van de vrije wil bij de mens erkende. Arminius stond daarmee aan de remonstrantse zijde, waartoe ook Johan van Oldenbarnevelt behoorde. In 1609 doen de Staten van Holland nog een poging het conflict te beslechten, maar Arminius moet de vergadering vanwege ziekte verlaten. Zijn kort daaropvolgende dood berooft de remonstranten van hun geestelijk leidsman en de contraremonstranten van Gomarus en Maurits krijgen steeds meer greep op de gang van zaken in de Republiek. Johan van Oldenbarnevelt, bevreesd voor een staatsgreep door Maurits, roept in 1617 de Staten van Holland andermaal bijeen om dit te voorkomen. Er wordt de Scherpe Resolutie aangenomen, die het eigenmachtig optreden van burgers (lees: contraremonstranten) aan banden moet leggen door de gemengde stadsbesturen het geweldsmonopolie te geven. Dat betekent dat de functie van Maurits als opperbevelhebber van de Staatse troepen uitgekleed wordt. Het lijkt een overwinning van de “rekkelijken” en zo wordt het ook ervaren door Maurits, wiens gegroeide macht door Van Oldenbarnevelt en de Staten is onderschat.

Door het overlijden van Filips Willem, de prins van Oranje die in 1568 door Filips II naar Spanje was “ontvoerd”, werd Maurits in 1618 de nieuwe prins van Oranje, wat zijn status verder verhoogde. Als dan ook nog in het Heilige Roomse Rijk (Duitse Rijk) de conflicten tussen de protestantse en katholieke vorsten uitgroeien tot een regelrechte oorlog (de Dertigjarige Oorlog, 1618-1648, die miljoenen mensen het leven zal kosten), laat Maurits zijn vroegere vriend en mentor Van Oldenbarnevelt wegens hoogverraad oppakken en na een schijnproces executeren, 13 mei 1619 te Den Haag.

Ondertussen heeft er in 1618 en 1619 de Dordtse Synode plaatsgevonden, waarin de leerstellingen van de remonstranten in de ban worden gedaan, waarmee aan de breekbare en toch al onvolkomen godsdienstvrijheid een einde komt.

De perikelen van de Dertigjarige Oorlog bereiken ook de Nederlanden. Vlak voor zijn dood in 1621 tekent de landvoogd van de Zuidelijke Nederlanden, Albrecht van Oostenrijk, zijn Akte van Afstand, waarmee dat landsdeel weer onder rechtstreeks bestuur van de Spaanse kroon komt. Van daaruit tracht de veldheer Ambrogio Spinola (1569-1630) ook de Republiek weer onder Spaanse controle te krijgen. Het is het einde van het Twaalfjarig Bestand.

Vlak voor de dood van Maurits van Oranje (1625) slaagt Spinola erin Breda te bezetten (nadat de stad in 1590 met de list van het turfschip in Staatse handen was gekomen). De nieuwe republikeinse stadhouder Frederik Hendrik (1584-1647), de halfbroer van Maurits, begint samen met de Friese stadhouder Ernst Casimir (1573-1632) een veldtocht tegen de oprukkende Spinola, die uitermate succesvol uitpakt en hem de erenaam stedendwinger bezorgt. Cruciaal was de verovering van ‘s-Hertogenbosch (1629), die mede kon plaatsvinden door een blunder van Spaanse zijde, namelijk het verleggen van de opmars van de graaf van Montecuccoli (1582-1633) naar de Veluwe, waar hij huishield in Amersfoort (onder andere het Huis Randenbroek, bewoond door de familie van de latere bewoner en architect Jacob van Campen, werd verwoest).

Het succes van de Staatse legers had veel te maken met een onverwachte overvloed aan middelen, die verkregen was door de overval op de Spaanse Zilvervloot door Piet Hein (1577-1629) in 1628 in de Baai van Matanzas (Cuba).

Zonder de Spaanse koning Filips II te raadplegen tracht de landvoogdes van de Spaanse Nederlanden, Isabella van Spanje, in 1633 vrede te sluiten met de Republiek. Zij overlijdt echter nog hetzelfde jaar en wordt opgevolgd door Ferdinand van Oostenrijk (1609-1641), die niets van vrede wil weten, wat hem komt te staan op een oorlogsverklaring door Frankrijk, waar onder de zwakke koning Lodewijk (Louis) XIII de kardinaal Richelieu (1585-1642) de dienst uitmaakt. Spanje verliest het pleit, waarop Richelieu een akkoord kan sluiten met Frederik Hendrik in 1635, het Traité de Partage waarin de grens tussen de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden over de taalgrens wordt getrokken. De Franse invloed in het zuiden is echter maar van korte duur door het wangedrag van de gecombineerde Frans-Nederlandse troepen, waardoor Ferdinand namens Spanje weer het overwicht krijgt.

Maar ook dit zal niet lang duren. Een tweede Spaanse Armada wordt in 1638 overwonnen door Maarten Harpertszoon Tromp (1598-1653) in de Slag bij Duins (Engeland: Downs), terwijl voor Spanje een nieuw front was ontstaan dat leidde tot de herstelde onafhankelijkheid van Portugal in 1640. Als Ferdinand het jaar daarop komt te overlijden, wordt hij als landvoogd van de Spaanse Nederlanden opgevolgd door Francisco de Melo (1597-1651), die zich helemaal op Frankrijk gaat richten en daar in 1643 in de Slag bij Rocroi een vernietigende nederlaag lijdt.

De Spaanse tegenslag houdt niet op. De vervanging van De Melo als landvoogd van de Spaanse Nederlanden in 1644 doet daar niets aan af, evenmin als het overlijden van Frederik Hendrik in 1647 (opgevolgd als stadhouder door prins Willem II) en wederom een vervanging van de landvoogd in het zuiden door Leopold Wilhelm van Oostenrijk (1614-1662).

De uitzichtloosheid van de situatie in West-Europa leidt tot besprekingen, die in 1648 beklonken worden met de Vrede van Westfalen (einde Dertigjarige Oorlog) en de gewelddadigheden in de Nederlanden (Vrede van Münster), hetgeen leidt tot de internationale erkenning van de Republiek der Verenigde Nederlanden.

13. De Republiek tussen Engeland en Frankrijk

Met de Vrede van Münster (1648) lijkt een einde gekomen te zijn aan de externe bedreigingen van de Republiek. Hierdoor komen echter de altijd al sluimerende, interne tegenstellingen weer aan het oppervlak. Deze tegenstellingen zijn in de eerste plaats van politieke aard en hebben betrekking op de staatsmacht: wordt het hoogste gezag meerkoppig en federaal uitgeoefend door de Staten Generaal, met grote invloed van gewesten en steden; of wordt dat gezag belichaamd door een eenhoofdig, liefst erfelijk stadhouderschap?

Willem II van Oranje (1626-1650), stadhouder van alle gewesten behalve Friesland, koesterde de nog (inmiddels wel ijdele) Groot-Dietse gedachte van vereniging van alle zeventien provincies. Voor zichzelf zag hij wel de rol van “vorst” weggelegd, met de orthodoxe (contraremonstrantse) calvinisten als machtsbasis en het orthodoxe calvinisme als staatsgodsdienst. Daarmee nam hij afstand van de religieuze tolerantie die door de Staten werd voorgestaan, een tolerantie die mede door opportunisme was ingegeven, daar de opgebloeide handel alleen maar kon blijven floreren door de aanwezigheid van koop- en handelslieden van allerlei (religieus) pluimage. In deze vroegkapitalistische periode deden afkomst en religie er minder toe dan inkomen en rijkdom.

De ratificatie van de Vrede van Münster stuitte op verzet van het gewest Zeeland, dat door de scheiding van de Schelde en de Antwerpse haven inkomstenderving vreesde. Ondersteund door Willem II, die dus de Zuidelijke en Spaans gebleven Nederlanden wilde annexeren, werd getracht andere gewesten te laten afzien van die ratificatie. Toen dat mislukte, voerde Willem samen met de Friese stadhouder Willem Frederik van Nassau-Dietz (1613-1664) een staatsgreep uit. Voorwendsel was dat er een complot zou bestaan (wat er niet was) tussen de zogenaamde regenten (de gewest- en stadsbestuurders) en de Engelsen, die in geval er een burgeroorlog zou uitbreken, de regenten te hulp zouden komen en dat dan ook Hollandse en Zeeuwse steden onder Engels bestuur zouden komen te staan. De Spaanse Nederlanden zouden zich bovendien daarbij afzijdig houden. Dit verzonnen complot werd breed uitgemeten in een vals document dat De elf artikelen heet.

Aldus vals voorgelicht gaven de Staten Generaal Willem vrij spel om deze dreiging te beteugelen met militaire operaties en de arrestatie van de zogenaamde complotteurs, die in Slot Loevestein gevangen werden gehouden (de Loevesteinse factie).

De staatsgreep dooft echter als een kaars wanneer Willem in 1650 onverwacht aan de pokken overlijdt en zijn zoon, de latere Willem III, nog net niet is geboren. De Staten Generaal roepen daarop een Grote Vergadering bijeen (1651), die besluit geen nieuwe stadhouder te benoemen en het Staatse leger onder direct bevel van de gewesten te plaatsen. Daarmee is het Eerste Stadhouderloze Tijdperk (1651-1672) een feit. Ook wordt de Nederduits Gereformeerde Kerk tot staatskerk uitgeroepen, waarmee aan het openbaar uiten van andere religieuze overtuigingen een einde komt (tot extreme vervolging komt het niet meer, er ontstaat eerder een vorm van gedogen, bijvoorbeeld waar het gaat om katholieke erediensten in de zogeheten schuilkerken; in Amsterdam bestaan dan voor Turkse kooplieden al islamitische gebedsruimtes!).

Ondertussen zijn de politieke lakens aan de randen van de Republiek flink opgeschud. Aan de dominantie van de Habsburgers (zowel de Spaanse als de Oostenrijkse) is een einde gekomen. De nieuwe Europese grootmacht heet Frankrijk, waar Lodewijk XIV (1638-1715) al sinds 1643 formeel de koning is, echter onder het bewind van de eerste ministers Colbert (1619-1683) en Mazarin (1602-1661). Op zee domineren inmiddels Engeland en de Republiek, de laatste met haar VOC (sinds 1602) en de West-Indische Compagnie (WIC, sinds 1621).

In Engeland had juist een burgeroorlog gewoed die in 1649 leidde tot het einde van de monarchie en de opkomst van The Lord Protector Oliver Cromwell (1599-1658), een herenboer van puriteinse (orthodox protestantse) snit, die met de opbouw van zijn New Model Army de macht naar zich toegetrokken had. Cromwell tracht nog een alliantie te vormen met de Republiek betreffende de zeevaart, maar wordt daarin gedwarsboomd door het Engelse parlement, dat in 1651 The Act of Navigation (de Akte van Navigatie) aanneemt ter bescherming van de Engelse handelsbelangen tegenover die van de Republiek. Dit leidt tot de Eerste Engels-Nederlandse Oorlog (1652-1654) die min of meer onbeslist eindigt door afnemend draagvlak onder de bevolking van beide landen. Enkele redenen daarvoor waren de zelfverrijking waaraan Engelse vlootvoogden zich bezondigden, alsook de uitputting van de Nederlandse oorlogskas en het sneuvelen van de nationale held Maarten Tromp bij de Slag bij Ter Heijde (13 juni 1653). In Engeland heeft Cromwell dan al een directe coup gepleegd door het parlement buitenspel te zetten. De daaropvolgende Vrede van Westminster (15 april 1654) maakte geen einde aan de rivaliteit in de koopvaardij, de oude ergernissen bleven bestaan, maar bevatte ook een geheime clausule, de Akte van Seclusie, die bepaalde dat er in de Nederlanden nooit meer een stadhouder zal worden aangesteld die verbonden is met het juist verdreven Engelse koningshuis Stuart. Meer bepaaldelijk doelde men op de dan 3-jarige Willem III, wiens moeder een Stuart was.

Inmiddels was een nieuwe ster aan het Hollandse firmament gerezen: Johan de Witt (1625-1672), die in 1653 tot raadpensionaris was benoemd. Hij was bij uitstek de vertegenwoordiger van de regenten, die van zichzelf vonden de Ware Vrijheid te dienen: niet in democratische zin, maar in de betekenis van privileges en rechten voor de hogere burgerij (d.w.z. de gewest- en stadsbestuurders). Die zogenaamde “vrijheid” was in de voorafgaande decennia verworven en kon rekenen op de goedkeuring van kunstenaars en wetenschappers, die erdoor in de Republiek relatief ongemoeid hun werken konden verrichten en vertonen [ René Descartes (1596-1650), die wel als de grondlegger van de Verlichting wordt gezien, heeft het merendeel van zijn leven in de Republiek doorgebracht en kon er zijn werken ook publiceren. ]

De Nederlandse handel werd belemmerd door de Akte van Navigatie en vanaf 1661 ook door de handelsbeperkingen met Frankrijk, die waren afgekondigd door de vanaf dan als absoluut vorst regerende koning Lodewijk XIV (de Zonnekoning, “L’état c’est moi“). Het betekende een verdere terugslag voor de vrijhandel die in het vroegkapitalisme werd nagestreefd. Daarvoor kwam het economische model van het mercantilisme in de plaats, dat vooral gebaseerd is op de bescherming van de eigen, nationale markten door im- en exportverboden dan wel hoge tolmuren voor schepen (en wagens) van vreemde mogendheden.

Om een parallel met het heden te geven, wil ik opmerken dat het mercantilisme nooit veel goeds heeft opgeleverd en meermaals heeft geleid tot oorlog. Het is ook daarom dat Karl Marx het kapitalisme in het algemeen als een superieur economisch model beschouwde, dat evenwel door staatsinterventie tegen zijn intrinsieke tegenstrijdigheden moet worden beschermd, met name waar het gaat om ongelijke ruilverhoudingen tussen kapitaal en arbeid. Niettemin verdienen open grenzen (vanwaaruit een natuurlijke globalisering groeit) veruit de voorkeur. Daarmee is gezegd dat internationale handelsverdragen die zulke grenzen garanderen, een zegen zijn mits zij voldoen aan wederzijds te billijken uitruil (equity).

Behalve mercantiele politiek bedrijft Lodewijk XIV ook geopolitiek. Hij wil zijn koninkrijk uitbreiden en bevestigen met natuurlijke grenzen, een streven dat de Rijn-Alpen-Pyreneeëndoctrine wordt genoemd. Dat zou ertoe leiden dat Frankrijk direct aan de Nederlandse Republiek gaat grenzen en dat de bufferzone van de Spaanse Nederlanden (in feite een exclave van het Spaanse koninkrijk) zal verdwijnen. Lodewijk tracht daarom tot een akkoord met de Republiek te komen door de toekomstige scheidslijn tussen de Franse en de Nederlandse invloedssfeer te trekken over de lijn Oostende-Maastricht.

Dit wil Johan de Witt niet, want dan zou de Republiek te stellen krijgen met een vergroot aandeel katholieken in het zuiden. Ook zou het opgebloeide Antwerpen (toch al de grootste stad van de gezamenlijke Nederlanden) een geduchte concurrent voor het explosief groeiende Amsterdam worden, de machtsbasis van de regenten (de stad zou van 30,000 inwoners in 1570 groeien naar 200,000 inwoners in 1688; in 1609 wordt er ook de eerste handelsbeurs van Europa geopend). Johans credo is “Gallia amica, sed non vicina“: Frankrijk als vriend, maar niet als buur. De Spaanse Nederlanden als bufferzone moet blijven bestaan en dat is ook gelijk het einde van de Groot-Dietse gedachte.

Tezelfdertijd is ook het handelsconflict met Engeland weer opgelaaid, wat resulteert in de Tweede Engels-Nederlandse Oorlog (1665-1667), die eindigt met een Nederlandse overwinning [ de Tocht naar Chatham onder aanvoering van Michiel de Ruyter (1607-1676) ]. Omineus is de betrokkenheid van de bisschop van Münster, Bernhard von Galen (1606-1678), die nu nog tevergeefs de Republiek vanuit het oosten aanvalt. De Vrede van Breda (31 juli 1667) lijkt voordelig voor de Republiek (die blij is met de ruil van het nauwelijks te onderhouden en te beschermen Nieuw-Nederland = New York voor Suriname), maar blijkt uiteindelijk toch een pyrrusoverwinning. Al met al kan men tegenwoordig vaststellen dat de Republiek, die nooit meer dan twee miljoen inwoners heeft geteld, een tijdlang de veel te grote broek van een wereldmacht heeft aangetrokken.

Dat wordt al pijnlijk voelbaar bij het Verdrag van Aken (1668), dat een einde maakt aan de Devolutieoorlog (1667-1668) over de erfrechten tussen Frankrijk en Spanje, waarbij Frankrijk grote delen van de Spaanse Nederlanden onder zijn invloed krijgt. De rol van het gebied als buffer wordt daardoor gering. De “protestantse” naties Engeland, Zweden en de Republiek hebben dan wel in 1668 de Triple Alliantie afgesloten, zogenaamd om wederzijdse belangen te dienen, maar in feite bedoeld om de Franse expansiedrang in te tomen. Als Lodewijk XIV hierachter komt, is voor hem de tijd rijp om een aanval op de Republiek te plegen. Dat is mede mogelijk door de veronachtzaming van de Zuidelijke Nederlanden door de Spaanse kroon. De koning Filips IV (1605-1665) en zijn geestelijk en lichamelijk gehandicapte opvolger Karel II (1661-1700) waren meer bezig met de herovering van Portugal, wat overigens ook zou mislukken.

In 1672 is het zo ver. Een geheim verbond van Frankrijk, Engeland en de Duitse bisdommen Keulen en Münster (daar is Bernhard von Galen, Bommen Berend weer) valt de Republiek binnen. Naar de 19e eeuwse, antirevolutionaire staatsman en historicus Groen van Prinsterer was “het volk redeloos, de regering radeloos en het land reddeloos“.

14. Het Rampjaar 1672: de toedracht

De vijand van onze vijand is onze vriend“. Zuiverheid, als zoiets al zou bestaan, is bij conflicten in het algemeen en oorlog in het bijzonder in de regel ver te zoeken. Naar gelang conflicten aanhouden, kunnen kansen keren en daarmee ook de omstandigheden waaronder ooit of zelfs kortelings gesloten vredesverdragen zijn afgesloten, alle vrome woorden ten spijt. Oorlog is laveren en steeds opnieuw koers bepalen, doorgaans zonder de tijd te hebben voor of kennis te hebben over of de nieuw uitgezette koers wel de juiste is. Eigenlijk gelden zulke “principes” voor de hele politiek, waarvan oorlog een onderdeel is, waarbij bestuurders en beleidsmakers steeds moeten dansen op het dunne koord dat vrijwel altijd door tegengestelde krachten in spanning moet worden gehouden. Dat vereist wisselende coalities en als gevolg daarvan ook het niet naleven van eerder gedane beloftes.

In paragraaf 13 heb ik verzuimd helder te maken dat de (eerste) Vrede van Westminster van 1654, na de Eerste Engels-Nederlandse oorlog, door de Republiek was overeengekomen met het Engelse gemenebest onder de dictatuur van Oliver Cromwell. Aan deze dictatuur kwam in 1660 een eind toen het Engelse parlement zijn macht en de monarchie kon herstellen door van de onbekwaamheid van Richard Cromwell (1626-1712), die zijn in 1658 overleden vader Oliver onbedoeld was opgevolgd (zijn oudere broers waren voortijdig overleden). Dit was het begin van de Engelse Restoration, die echter geen “restauratie” was, daar de nieuwe koning Karel (Charles) II (1630-1685) weliswaar van hetzelfde huis-Stuart van zijn geëxecuteerde voorganger was, maar niet meer zonder toestemming van het parlement kon regeren. De Restoration werd, na de “zwarte kousen”-jaren van Cromwells autoritaire en militaristische bewind, algemeen toegejuicht, zoals de ambtenaar Samuel Pepys (1633-1703) in zijn dagboeken verwoordde:
” In Cheapside there was a great many bonfires, and Bow bells and all the bells in all the churches as we went home were a-ringing (…). But the common joy was everywhere to be seen! (…) Indeed it was past imagination, both the greatness and the suddenness of it.

De Vrede van Westminster was in hoofdlijnen niet meer dan het herstel van de status quo ante bellum: de oude geschillen bleven doorsluimeren. De irritaties in de Republiek laaiden hierdoor weer op en leidden tot de Tweede Engels-Nederlandse oorlog (1665-1667), die bij de Vrede van Breda (31 juli 1667) zogenaamd in het voordeel van de Republiek werd beslecht. Reeds binnen een week namen de Staten van Holland een resolutie aan die bekend is als het Eeuwig Edict (5 augustus), waarbij de functies van het stadhouderschap en die van kapitein-generaal (opperbevelhebber) van de Staatse troepen voor altijd onverenigbaar werden verklaard. Er was op dat moment overigens geen stadhouder (we leven in het Eerste Stadhouderloze Tijdperk, 1650-1672/75), aangezien de zoon van de laatste stadhouder Willem II bij diens dood nog net niet was geboren. Deze zoon, Willem III, was in 1667 nog minderjarig en sinds 1660 als Kind van Staat onder het rechtstreekse voogdijschap van de Staten van Holland geplaatst. Dit leidde tot een blijvende animositeit tussen de prins, die van moederszijde een Stuart was, en de raadpensionaris Johan de Witt die het liefst met alle middelen ook maar enige formele functie van Willem wilde voorkomen. Daarmee joeg hij ook de Engelse koning Karel II, een oom van Willem, tegen zich in het harnas. Karel had al een fors aantal jaren in ballingschap verkeerd in Frankrijk en de Spaanse Nederlanden en het was hem door Johan steeds geweigerd naar de Republiek te reizen. Hoewel protestant en deelnemer aan de Triple Alliantie tussen de Republiek, Engeland en Zweden, bleef Karel ook tijdens zijn koningschap een wrok jegens de Staatsgezinden van de Republiek koesteren (waarvan Johan de Witt de aanvoerder was) en zich inmengen in Nederlandse aangelegenheden (Johan de Witt had het ook laten bestaan om zijn broer Cornelis mee te laten reizen met Michiel de Ruyter op de Tocht naar Chatham om daarmee de oppermacht van de Staatsgezinden te onderstrepen, in feite dus een provocatie aan het adres van de Prinsgezinden). Johan de Witt vertrouwde echter op zijn diplomaten in Engeland en Frankrijk, die hem ervan bleven verzekeren dat een toenadering tussen die landen, de een protestants, de ander katholiek, niet in het verschiet lag.

Het bleek een misrekening. Niet het geloof, maar meer wereldse politiek gaf de doorslag en de gezamenlijke belangen van Frankrijk en Engeland waren legio. Allereerst was daar de gezamenlijke irritatie over de Nederlandse hegemonie in de wereldhandel en daarnaast de Franse expansiepolitiek (de eerder genoemde Rijn-Alpen-Pyreneeëndoctrine van Lodewijk XIV), die in zoverre de Engelsen welgevallig was als dat bijdroeg aan de inperking van de Nederlandse macht (het kostte de Republiek geld om een eventuele Franse dreiging te kunnen weerstaan). Onderwijl rees ook het binnenlandse verzet tegen het beleid van Johan de Witt, die de meeste defensieuitgaven besteedde aan de marine en de landmacht verwaarloosde, terwijl daarvoor wel hogere belastingen werden geheven: Johan de Witt was ook een uitstekend wiskundige, die inzag dat de lijfrenteverzekering verhoogd moest worden om de staatskas niet uit te putten, wat tot ernstige bezwaren leidde bij de hogere burgers en regenten – nota bene zijn eigen achterban – die hun levensverzekering natuurlijk ook zagen als een oudedagsvoorziening, die zij door de maatregelen in damp zagen opgaan (wat is er eigenlijk nieuw aan de huidige pensioendiscussie …).

In 1670 werd Willem III door zijn voogden en zonder een officieel besluit van de Staten van Holland meerderjarig verklaard. De Staten legden zich hierbij neer en ook bij de benoeming van Willem, in februari 1672, tot kapitein-generaal van het Staatse leger. Vooralsnog was dit bedoeld voor één veldtocht – een beding van Johan de Witt – maar de gecombineerde aanval van Frankrijk, Engeland en de bisdommen Keulen en Münster, met zwijgende toestemming van Zweden op de Republiek niet lang daarna (de zogenaamde Hollandse Oorlog, 1672-1679) maakte een nieuwe wisseling in de top van het leger niet opportuun, ook al verliep die eerste veldtocht van Willem weinig succesvol.

In maart 1672 wordt een Nederlandse vloot, op de terugweg van Smyrna (thans Izmir) na een bijdrage aan de strijd tegen het Ottomaanse Rijk door de Engelsen aangevallen en is ook de Derde Engels-Nederlandse oorlog (1672-1674) een feit. Een maand later valt Frankrijk met hulp van de bisdommen Keulen en Münster de Republiek binnen. De Franse troepen doen dit niet rechtstreeks om keizer Leopold I van Oostenrijk, heer van de Spaanse Nederlanden, buiten de strijd te houden, maar met een omweg via het prinsbisdom Luik en zonder Maastricht aan te doen, door de Rijn bij Lobith over te steken. De Republiek is nu omsingeld, maar weet zijn kerngebied (het gewest Holland) te handhaven door het in werking stellen van de Hollandse Waterlinie, die op 7 juli 1672 de beoogde landen onder water zet.

Het is vervolgens onduidelijk welke rol Willem III speelt in het uitschakelen van de macht van De Witt en zijn Staatsgezinden. Op 21 juni 1672 wordt zowel op Johan als op zijn broer Cornelis de Witt een moordaanslag gepleegd, de ene door een jongeman van hogere komaf op de Plaats vlakbij het Binnenhof te Den Haag, de andere in Dordrecht, waarbij de daders onbekend blijven wat doet vermoeden dat zij niet uit de stad afkomstig waren. Johan de Witt raakt zwaargewond en is voor een aantal weken uitgeschakeld, in welke tijd Cornelis wordt gedwongen om ook namens zijn broer het Eeuwig Edict af te zweren. Kort daarop wordt Willem III naast zijn opperbevelhebberschap ook benoemd tot de nieuwe stadhouder (bevestigd 4 juli). Ene Willem Tichelaar (ca. 1642- ca. 1714), een louche barbier uit Piershil op Beijerland, wordt opgepakt wegens samenzwering, maar hij verklaart dat Cornelis de Witt hem geld en het baljuwschap van Beijerland (dat in handen van Cornelis was) had aangeboden in ruil voor een moord op Willem III. Cornelis wordt daarvoor op 23 juli gearresteerd en in de Gevangenpoort te Den Haag vastgezet. Hoewel men het bewijs voor de omkoping niet rond krijgt, wordt Tichelaar vrijgelaten en blijft Cornelis vastzitten. Johan de Witt ziet de onmogelijkheid van zijn positie in en dient daarop zijn ontslag als raadpensionaris in (4 augustus). Dit wordt verleend en Willem III krijgt het bij de Staten voor elkaar dat dit ontslag niet eervol zou zijn. Onder valse voorwendselen wordt Johan daarop naar zijn broer in de Gevangenpoort gelokt (zijn broer zou hem willen spreken en de bewaking was verteld dat er elders een opstand was uitgebroken waarbij zij nodig was), om daar in handen te vallen van het “gepeupel”, dat in werkelijkheid bestond uit de opgehitste Haagse schutterij, die beide broers om hals brachten, 20 augustus 1672. Vaststaat dat de vlootvoogd Cornelis Tromp (1629-1691), een zoon van de grote held Maarten Tromp en later zelf kapitein-generaal, daarbij aanwezig was.

De dood van de gebroeders De Witt maakt een (tijdelijk) einde aan de macht van de Staatsgezinden en geeft Willem III vrij spel. Het kan niet anders gezegd worden dan dat hij dit vakkundig uitspeelt en in ieder geval de onafhankelijkheid van de Republiek weet de waarborgen. Maar nogmaals: met zuiverheid heeft dit alles weinig te maken, zoals we in een volgende paragraaf zullen zien.

15. Het rampjaar 1672 en de Hollandse Oorlog (1672-1679)

Uiteraard is het verbond tussen Engeland en Frankrijk een gelegenheidscoalitie, waarvan de zwakte en het bijhouden van dubbele agenda’s aan het licht komen, nu de Republiek in het nauw gedreven is. Weliswaar hebben de beide landen alvast een verdelingsplan voor de te bezetten gebieden gemaakt, beide “bondgenoten” weten dat zo’n plan als puntje bij paaltje komt geen lang leven beschoren zal zijn. Lodewijk XIV voedt de Nederlandse vrees dat Engeland de Republiek zou willen bezetten (wat overigens niet uit de lucht gegrepen is) en zegt haar daarvoor te willen behoeden als zij daarvoor maar betaalt (Frankrijk heeft immers niet de intentie om de Republiek te annexeren, het wil alleen veilige buitengrenzen volgens de Rijn-Alpen-Pyreneeëndoctrine). De Franse “bijdrage” aan het verhinderen van de snode Engelse plannen valt slecht bij de Nederlandse bevolking, die nu Willem III ervan verdenkt de Republiek aan Frankrijk te willen uitleveren.

Karel II van Engeland denkt hiervan gebruik te kunnen maken door zijn neef Willem III tot capitulatie over te halen, waarna de laatste dan onder Engels suzereiniteit (onderhorigheid) soeverein prins van Holland zou worden. Willem wijst dit tot verrassing van Karel echter af en heeft ondertussen de Hollandse Waterlinie in werking gesteld, waardoor de Franse opmars wordt gestuit.

Na de moord op de gebroeders De Witt wordt Willem de doorslaggevende gezaghebber in de Republiek. De situatie laat weinig speelruimte voor de Staten over. Omdat de Franse troepen buiten de Spaanse Nederlanden om naar de Republiek zijn opgerukt, en nu de Hollandse Waterlinie voor hen een andere barrière vormt, raken zij in een isolement. Lodewijk XIV besluit nu toch een inval in de Spaanse Nederlanden te doen, wat de coalitieverhoudingen opnieuw doet veranderen. De Republiek kan nu deelnemen aan een anti-Frans verbond, de Quadruple Alliantie (ook wel de Liga van Den Haag genoemd, 30 augustus 1673), die verder bestaat uit het Heilige Roomse Rijk van keizer Leopold I (1640-1705), Spanje, Lotharingen (waarvan de hertog al voor de Fransen gevlucht is) en later ook het keurvorstendom Brandenburg.

De alliantie pakt zeer voordelig voor de Republiek uit als een overval van Willem III op de Franse legervoorraden in Bonn slaagt (november 1673) en Lodewijk gedwongen is zijn troepen terug te trekken. Reeds eerder versloeg admiraal De Ruyter in vier zeeslagen de gecombineerde Engels-Franse oorlogsvloot (Solebay op 7 juni 1672, Schooneveld in de Noordzee op 7 en 14 juni 1673, Kijkduin bij Den Helder op 11 augustus 1673), waarna het Engelse parlement geen extra oorlogsgelden meer ter beschikking wil stellen. De tweede Vrede van Westminster na deze Derde Engels-Nederlandse Oorlog (1672-1674) wordt op 19 februari 1674 getekend, een vrede die net al de vorige in 1654 niet meer is dan een bevestiging van de status quo ante bellum (alsof er geen oorlog voor nodig was), behalve de nu werkelijke afstand door de Republiek van de kolonie Nieuw-Nederland. Nederlagen van de bisdommen Keulen en Münster leiden op 22 april 1674 ook tot het einde van de vijandelijkheden aan het “oostfront” (de zgn. Tweede Münsterse Oorlog).

De opmars van de Fransen in de Spaanse Nederlanden vordert echter ook niet. De reden is dat keizer Leopold en de Brandenburgse keurvorst Friedrich Wilhelm I (1620-1688) Frankrijk nu in de Elzas aanvallen. Het resultaat van deze strijd is wisselvallig en Lodewijk XIV slaagt erin via een afleidingsmanoeuvre Zweden zo ver te krijgen Brandenburg zelf binnen te vallen. Hoewel de Zweede missie door interventie van een gezamenlijke Deens-Nederlandse oorlogsvloot onder Cornelis Tromp mislukt, is Brandenburg wel genoodzaakt de strijd in de Elzas te staken (1674-1676).

In dezelfde periode ondersteunt Frankrijk een Siciliaanse volksopstand tegen Spanje (1674), waarop de Republiek een verouderde vloot onder het bevel van Michiel de Ruyter eropuit stuurt om de Fransen de pas af te snijden. Dit mislukt bij een gezamenlijk Spaans-Nederlands treffen tegen de Fransen in de Baai van Syracusa, waarbij De Ruyter sneuvelt (29 april 1676).

Spanje en de Republiek hebben zware offers moeten brengen. Lodewijk XIV kan een belangrijk deel van zijn geopolitieke doctrine volvoeren met de annexatie van Lotharingen en het behoud van het grootste deel van de Elzas. In de Spaanse Nederlanden bedient hij zich bij terugtrekkingen van de tactiek van de verschroeide aarde, waarbij dit gebied tot groot verval raakt en als machtsfactor nauwelijks meer van enige waarde is.

Frankrijk heeft zich hiermee herpakt en kan grote delen van de Spaanse Nederlanden inrekenen (Valencijn/Valenciennes, Kamerijk/Cambrai, Kassel/Cassel, Sint-Omaars/Saint-Omer en Charleroi, 1677). Ook Zweden weet Denemarken terug te dringen (1677-1679).

De overwegend geslaagde geopolitiek van Frankrijk heeft echter ook een keerzijde. Beducht voor de vergrote invloed stuurt het Engelse parlement aan op een hechte en duurzame verbintenis met de Republiek. Niet meer zal worden geduld dat de Lage Landen opnieuw een speelbal van de buren worden. De koning, Karel II, heeft zich in de ogen van het parlement te weifelmoedig betoond en verplicht hem zijn nicht Mary Stuart (1662-1694) uit te huwelijken aan Willem III (oktober 1677) die daardoor de troonopvolger van de Engelse en Schotse kroon zou worden. In januari 1678 komt het tot een bondgenootschap, waarmee een langdurig einde komt aan de zogenaamd vriendschappelijke betrekkingen tussen Frankrijk en Engeland/Schotland. In Engeland wordt de Franse invloed op de cultuur weggepoetst, worden de laatste restjes absolutisme opgeruimd en wordt het katholicisme in de ban gedaan.

De gevechtshandelingen doven langzamerhand, zodat in 1678 een aanvang kan worden gemaakt met vredesbesprekingen, die te Nijmegen plaatsvinden. Dit gebeurt fasegewijs tussen de betrokken partijen, waarvan het verdrag tussen Frankrijk en de Republiek op 10 augustus 1678 voor hier het belangrijkste is. Ermee krijgt Frankrijk wel de Nederlandstalige gebieden van de Spaanse Nederlanden rond Duinkerke, Veurne en tijdelijk ook Kortrijk in handen. De besprekingen eindigen op 2 oktober 1679 met een vredesakkoord tussen de Republiek en Zweden. De Hollandse Oorlog is daarmee ten einde.

De Republiek is gered, maar misschien is de periode van de Hollandse Oorlog wel van groter belang daarvoor geweest dan de hele “onafhankelijkheidsstrijd” die we vroeger de Tachtigjarige Oorlog en nu liever de Nederlandse Opstand noemen. Het voortbestaan van de prille natie hing vooral tussen 1672 en 1674 aan een zijden draad. Het hoogtij van de Gouden Eeuw was voorbij, de Republiek als wereldmacht had zijn tijd gehad, haar schatkist was gedecimeerd, al zou een volledige ineenstorting van de welvaart, zoals die zich met name in Vlaanderen had voltrokken, uitblijven (in dat deel van de Nederlanden zou de recessie nog tot in de jaren 60 van de 20e eeuw voortduren!).

Voor Willem III persoonlijk moest de glorietijd, althans in politieke zin, nog aanbreken, al zou die niet veel langer duren dan zijn leven. De aloude strijd tussen Prins- en Staatsgezinden zou weer oplaaien.

16. De Gouden Eeuw: bloei in woelige tijden

De periode in de Nederlandse geschiedenis die wordt aangeduid als de Gouden Eeuw bestrijkt het tijdvak tussen het einde van de 16e eeuw en de hele 17e eeuw. In zijn geheel genomen kan men inderdaad spreken van een economische bloeitijd, waarin ook grote politieke, wetenschappelijke en culturele ontwikkelingen plaatsvonden. Een exact begin- en eindpunt van deze periode is niet zonder bezwaar te geven, maar veel historici houden daarvoor de jaartallen 1588 en 1702 aan: het eerste jaar vanwege de feitelijke grondvesting van de Republiek der (Zeven) Verenigde Nederlanden [ de zogeheten Deductie van Vranck(en) ], het tweede jaar vanwege het begin van het Tweede Stadhouderloze Tijdperk, gebeurtenissen die van grote invloed zijn geweest op het economisch reilen en zeilen van de Noordelijke Nederlanden.

Ook is het niet zo, dat de Gouden Eeuw zich kenmerkt door een gestage en stabiele economische groei en welvaart: er zijn episoden aan te wijzen van terugslag, stagnatie en versnelde groei. Daarnaast moet ook worden opgemerkt, dat het begrip Gouden Eeuw met name betrekking heeft op de ontwikkeling in het gewest Holland, het gewest dat daarom ook al snel synoniem werd voor de hele staat die ook kennen als De Nederlanden of Nederland.

Belangrijk is de vraag waarom uitgerekend hier in de Nederlanden een internationaal economisch machtscentrum kon ontstaan. Of daarbij de afscheiding van de Noordelijke Nederlanden van de Spaanse overheersing een doorslaggevende rol speelde, of dat er juist al ontwikkelingen gaande waren die die afscheiding en de daaropvolgende groei aanjoegen, is tot op zekere hoogte een kwestie van kip of ei.

Eén vrij unieke omstandigheid speelt zeker een rol in waarom het hier moest gebeuren en die is van (fysisch) geografische aard: de bodemgesteldheid van de lage veengronden. Een andere omstandigheid die een hoofdrol heeft gespeeld, is ook van geografische aard, namelijk de centrale ligging van het gebied in het noordwesten van Europa op het kruispunt van twee belangrijke handelsroutes, de een noord-zuid, de andere oost-west.

Op de lage veengronden was er geen ruimte voor grootgrondbezit. Aanvankelijk was dit gebied ook oninteressant voor bewoning en exploitatie. Bevolkingsdruk tijdens de Middeleeuwen deed mensen min of meer uit nood hiernaartoe verhuizen, waarvoor allerlei kunstgrepen noodzakelijk waren om het überhaupt te kunnen bewonen en te ontginnen. In paragraaf 4 heb ik reeds geschreven over het belang van samenwerking bij de dijkaanleg en inpoldering van deze moerasdelta, vanwaaruit die unieke Nederlandse institutie van de waterschappen ontstond. Deze omstandigheden hebben er zeker toe bijgedragen dat de ontwikkeling van een feodaal systeem niet echt tot wasdom kwam. Het onderscheid tussen arm en rijk, gebonden en vrij, bleef daardoor beperkt, waardoor de mogelijkheden van sociale mobiliteit werden vergroot. Waar in het overgrote deel van Europa iemands status vooral werd bepaald door afkomst (“ascription“), kon in de Nederlanden die status ook worden bepaald door prestatie (“achievement“). In de steden kon zo een middenklasse (“burgerij” of “bourgeoisie”) ontstaan die als stepping stone fungeerde in het stijgen op de maatschappelijke ladder.

Die steden vormden een ander aspect van de verwezenlijking van een Gouden Eeuw. Zij waren van overzichtelijke omvang en zongen zich , na het verkrijgen van de vrijheden die wij stadsrechten noemen, los van de feodale landheer, die die functie bekleedde op grond van ascription. De eerste “vrije” steden groeiden daar, waar de invloed van de landheer beperkt was, dat wil zeggen in die contreien waar grootgrondbezit geen doorslaggevende rol speelde. Deze steden dreven niet op een economie die zich qua reikwijdte beperkte tot het direct omliggende platteland. De core business was niet alleen de marktfunctie van het slijten van louter lokale producten, maar ook de uitwisseling van goederen en diensten met andere steden, al dan niet overzee. Eerder was het een handelseconomie waar zij op dreven, die niet werd gedomineerd door ruilhandel alleen, maar vooral ook door een geldeconomie. Het aantal steden in de Lage Landen was in de late 16e eeuw al opmerkelijk groot en een veel groter deel van de bevolking dan op de meeste plaatsen elders in Europa woonde in die steden. Rond 1600 was de urbanisatiegraad in de Nederlanden al rond de 50 %, waar dat in Europa gemiddeld tussen de 15 en 20 % was.

De opkomst van de steden begon in Vlaanderen, waar de drijvende kracht vooral de lakenindustrie was. Maar ook in het noorden ontwikkelde zich al spoedig een stedelijke samenleving die dreef op de handel met Noord-Duitse steden en de Oostzeekusten. Deze steden hadden zich verenigd in het Hanzeverbond, dat zich in de eerste plaats toelegde op de in- en uitvoer van luxeproducten die op de vele jaarmarkten verhandeld werden. In de tweede helft van de 16e eeuw begonnen kooplieden zich ook te richten op het transport en de verhandeling van bulkgoederen. Het meest eminente product hierin was graan. De groei van de graanhandel vond zijn oorsprong in dalende graanprijzen door een groeiend areaal langs de Oostzeekusten. Daar bestond wél een feodale structuur van grootgrondbezit en horige boeren, waardoor met name de arbeidskosten er lager waren dan in de Nederlanden. Graanteelt hier was weliswaar alom aanwezig (met name rogge, het grootste deel van de Nederlanden ligt boven de zogenaamde tarwegrens, overigens ook een reden waarom het eten van brood bij de hoofdmaaltijden hier geen grote vlucht heeft genomen), maar was vooral bedoeld voor afzet en consumptie ter plaatse. In het westen met zijn onomkeerbaar inklinkende veengronden werd de verbouw van graan steeds problematischer. Dit alles leidde ertoe dat men steeds meer graan ging importeren, zoals gezegd vooral uit het Oostzeegebied. Het mag zo zijn dat het beeld bestaat dat de Gouden Eeuw vooral dreef op de meer tot de verbeelding sprekende specerijenhandel met Azië, in werkelijkheid was deze graanhandel het fundament waarop de economie dreef. Aan het einde van de Gouden Eeuw begon men dan ook te spreken over de moedernegotie, die ook de innovatie in het transport en de logistiek stimuleerde. Hieruit ontstond het fluitschip, een verlengde driemaster met een platte bodem, een brede buik, rond achtersteven en een smal dek. Dat laatste had te maken met de wijze van tolheffing op de Sont, de door Denemarken gecontroleerde zeestraat tussen de Noord- en Oostzee: de hoogte van de tol werd namelijk bepaald door de breedte van het dek. Het fluitschip was wendbaarder dan andere scheepstypen en kon met minder bemanning worden bediend. Met 500 schepen hadden de Nederlanden de grootste handelsvloot van Noordwest-Europa en jaarlijks passeerden rond de 400 schepen de Sonttol, meer dan de helft van het totaal aantal schepen dat daar langs voer.

In het westen van de Noordelijke Nederlanden werd de graanteelt in korte tijd vervangen door een minder arbeidsintensieve veeteelt, die ook weer een internationaal karakter had. Magere ossen werden uit Noord-Duitsland en Scandinavië ingevoerd en hier vetgemest, de zogeheten vetweiderij, om daarna over heel West-Europa te worden verhandeld. Ook ging men zich toeleggen op de tuinbouw, dat deel van de agrarische sector dat als geen andere verbonden is met een stedelijke cultuur. Hennep, vlas en oliehoudende zaden karakteriseerden in hoge mate de Hollandse teelt, waar later ook de bollenteelt (geïmporteerde zaden uit o.a. Turkije, zoals de tulp) aan werd toegevoegd (de tulpenmanie  of bollenrazernij in de jaren 1634-1637 zou de eerste, goed beschreven economische bubbel (speculatiegolf) in de geschiedenis worden).

Het lag voor de hand dat Amsterdam het brandpunt van de overzeese handel werd, te meer daar de meest nabije concurrent, de stad en haven van Antwerpen, door de Spaanse herovering in 1585 (de Val van Antwerpen) en de daarmee verbonden blokkade van de Schelde was uitgeschakeld. De stad ontwikkelde zich al spoedig tot dé stapelmarkt van Noordwest-Europa. Goederen werden hier opgeslagen en verhandeld en daarnaast ontwikkelde zich een dienstensector en kenniscentrum. Naast graan was ook de handel in wijn, zout, hout, ijzer, kruit en wapens van belang. In 1609 opende de eerste Europese handels- of koopmansbeurs hier zijn deuren (de Beurs van Hendrick de Keyser aan het Rokin, zo genoemd naar de bouwmeester), die in de hele daaropvolgende eeuw het belangrijkste handelscentrum van de wereld zou blijven (ook de Amsterdamsche Wisselbank ging dat jaar in bedrijf).

Ook ontwikkelde zich een industrie rond de scheepsbouw (met name in de Zaanstreek), waar de talloze houtzaagmolens met hun juist ontwikkelde krukas een andere technologische innovatie vormden.

Een volgend aspect dat bijdroeg aan de economische bloei zou je natievorming kunnen noemen. De afscheiding van de Noordelijke Nederlanden van het Spaanse koninkrijk had twee oorzaken: de gegroeide privileges van lokale bestuurders die allergisch waren voor de centralisatiepolitiek van de Spaanse kroon en de Reformatie, met name de calvinistische variant, die hier vruchtbare bodem vond omdat de geloofsleer ervan meer appelleerde aan de individuele verantwoordelijkheid, die reeds was verweven met de stedelijke cultuur en de daarbinnen groeiende burgerij en bovendien al in de vorm van de Moderne Devotie een voorloper kende.

De nieuwe natie moest natuurlijk ook zoeken naar een efficiënte staatsstructuur, waarvan de zaden al waren gezaaid tijdens de Nederlandse Opstand: zoals zo vaak leiden oorlog en conflict tot vernieuwing om slagvaardig handelen te waarborgen. Dit kwam niet alleen tot uitdrukking in de bestuursvorm, maar ook op het terrein van de wetenschap, vanwaaruit de gereedschappen moesten komen voor een effectieve landsverdediging. Het mag geen verwondering wekken dat handel en industrie baat hebben bij wat wij nu zouden noemen good governance (behoorlijk bestuur). De overhand die de geprivilegieerde regenten, die vooral in het gewest Holland actief waren, kregen boven meer naar autocratie of absolutisme strevende krachten van hoge adel en geestelijkheid, garandeerde tot op grote hoogte een stabiel, van breed draagvlak voorzien en modern bestuursmodel, dat op dat moment vrijwel een unicum in de wereld was. Het welslagen hiervan zal in niet geringe mate hebben bijgedragen aan een trots en assertief zelfbewustzijn.

Dat zelfbewustzijn was verwoord met de term Ware Vrijheid, niet zozeer een democratisch concept alswel verwijzend naar de rechten en privileges van de bovenlaag van de bevolking: stads- en gewestbestuurders en de groeiende groep welvarende kooplieden, die met elkaar gemeen hadden wat je kunt noemen een opportunistische tolerantie. Vooral voor de kooplui gold dat Prinzipienreiterei (al te veel moralisme) zich slecht verdroeg met vrijhandel. Het calvinisme bewees daarbij lippendienst door geen taboe meer te zien om met geld, geld te maken (rente) en de accumulatie van kapitaal; kapitaal dat geheel volgens kapitalistische normen niet werd opgepot (zoals feodale landheren geneigd waren te doen), maar werd geïnvesteerd om tot nog meer vermogen te komen.

Behalve verwoord werd het nieuwe zelfbewustzijn ook verbeeld. Hoewel het calvinisme enige mate van soberheid dicteerde (kunststijlen als barok, laat staan rococo zijn in de Republiek nooit goed van de grond gekomen), wilden de nouveaux riches zoals altijd graag hun recentelijk verworven welvaart etaleren. Dit schiep werkgelegenheid voor kunstenaars en hun toeleveranciers. Een beetje koopman liet zich en zijn familie wel op een schilderij vereeuwigen en ook de nieuwe optrekjes in bijvoorbeeld de Amsterdamse grachtengordel en de Vechtstreek moesten ook ontworpen worden. De Reformatie, die zich afwendde van mystiek door preken en Bijbellezing in de volkstaal te doen, droeg ook bij aan geletterdheid onder de bevolking. Ook de lagere standen in de stedelijke samenleving konden doorgaans wel wat lezen of schrijven en daarvoor waren ook scholen beschikbaar, die in toenemende mate door de overheid in plaats van religieuze weldadigheidsorganisaties werden bestuurd. Hieruit ontstond ook een meer profane letterkunde, die minder dan elders gehinderd werd door censuur. De migratie van intelligentsia uit de Spaanse Nederlanden en later ook Frankrijk (na de annulering van het Edict van Nantes in 1685, dat voorzag in godsdienstvrijheid, vluchtten de hugenoten naar de Republiek) heeft hier een belangrijke bijdrage in gespeeld. Ik heb al eerder opgemerkt dat iemand als René Descartes hier de vrijheid vond zijn filosofie en fundament voor de empirische wetenschap te publiceren, “ou l’on puisse jouir d’une liberté si entière” (“waar men zo’n volledige vrijheid kan uitoefenen“). Rond 1630 waren de scherpe kantjes van het “precieze” calvinisme die waren gedicteerd tijdens de Synode van Dordrecht (1618/19) alweer wat afgeslepen, zodat remonstranten, lutheranen, wederdopers, katholieken en joden in het openbare leven weer wat meer speelruimte hadden gekregen. Met name de laatsten, aan wie grondbezit ontzegd was, stortten zich op die sectoren van de economie, die door anderen met enig dedain werden gemeden: het bankwezen en de handel in luxe-artikelen zoals diamanten en tabak.

De ontstane handelseconomie deed ook de behoefte aan binnenlandse vervoersmogelijkheden toenemen. Was het personenvervoer voordien en nog steeds elders in Europa van gering belang, in de Republiek groeide dit belang zo, dat er een samenhangend netwerk van openbaar vervoer tot stand kwam. Hét vervoermiddel van de Gouden Eeuw was de trekschuit, waarvoor ook al als een unicum speciale infrastructuur werd aangelegd, de trekvaarten. Dit netwerk werd, waar water minder voorhanden was, aangevuld met postwagendiensten (“post” heeft hier de betekenis van “halteplaats”). Op de in 1632 geopende trekschuitverbinding Amsterdam-Haarlem werden in het topjaar 1661 320,000 reizigers vervoerd en vond ieder uur een afvaart plaats.

Tot nu toe heb ik nog nauwelijks woorden gewijd aan de koloniale expansie van de Republiek. Ik wil dat hier ook zo houden, omdat het onderwerp een verhaal op zich is. Ik volsta met de zeggen dat de Nederlandse koopvaardij met de twee grote ondernemingen, de Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC, opgericht 1602) en in mindere mate de West-Indische Compagnie (WIC, opgericht 1621) in deze periode inderdaad de wereldzeeën domineerde.

Het einde van de Gouden Eeuw wordt ingeluid in het Rampjaar 1672 (zie paragrafen 14 en 15), maar anders dan in de Spaanse Nederlanden voltrok de teloorgang zich geleidelijk. Er was nog voldoende kapitaal aanwezig om voor enige decennia op te teren en te zoeken naar alternatieve inkomstenbronnen. De neergang was echter ook voor een deel veroorzaakt door het verlies van privileges van de regenten, daar de laatste stadhouder van de Gouden Eeuw, Willem III, door zijn grote rol in de “redding” van de Republiek en zijn “verovering” van de Engels-Schotse kroon (de belangrijkste concurrent van de Nederlanden op zee), veel macht naar zich toe kon trekken. Dat maakte tijdelijk een einde aan het meerkoppige bestuur van de Staten Generaal en daarmee ook aan het daarmee verbonden overlegmodel dat door wheelen en dealen het tolerante klimaat had geschapen waarin de welvaart en de vernieuwing kon groeien. Omdat Willem III kinderloos stierf, brak er weer een stadhouderloos tijdperk aan, waarin opnieuw de spanningen tussen Prins- en Staatsgezinden oplaaiden en het gedaan was met de relatieve, politieke rust die zo belangrijk is voor een vrije economie.

17. De teloorgang van de Republiek en een “Glorious Revolution”

De Verdragen van Nijmegen (1678/79) die een einde maakten aan de Hollandse Oorlog (zie paragraaf 15), waren niet ondubbelzinnig in het voordeel van de Republiek. De Franse dreiging leek dan te zijn afgewend en Lodewijk XIV was in een diplomatiek isolement geraakt, een ware nederlaag had het land van de Zonnekoning niet geleden. In grote lijnen was de rol van Frankrijk als Europese grootmacht niet aangetast. Ook de nieuwe verbintenis tussen de Republiek en Engeland had een keerzijde. De staatsschulden waren door de oorlogsinspanningen torenhoog opgelopen, waardoor investeringen om de welvaart en verdediging van de Republiek zeker te stellen, achterbleven. In feite kon men niet meer zonder bescherming van nieuwe buitenlandse partners, Engeland voorop.

Tijdens de voorgaande roerige periode was evenwel het prestige van Willem III, wiens stadhouderschap in 1674 erfelijk was verklaard, sterk gegroeid. De aloude tegenstelling tussen de Staten en de Orangisten (“prinsgezinden”) was hierdoor vooralsnog in het voordeel van de laatsten beslecht.

In 1685 overlijdt de Engelse koning Karel (Charles) II en wordt opgevolgd door zijn broer Jacobus (James) II (1633-1701), die echter katholiek is. Voor de protestanten was dit nog enigszins acceptabel geweest met de zekerheid dat zijn twee dochters in de lijn van opvolging ook protestants waren. Maar in 1688 wordt uit zijn tweede huwelijk onverwacht een zoon geboren, James Francis Edward Stuart (1688-1766). Het vooruitzicht op een katholieke dynastie leidde nu tot een samenzwering van de protestanten, de Glorious Revolution. Hierbij werd Willem III, via moederszijde ook een Stuart en bovendien gehuwd met een van de twee dochters van Karel II, Maria (Mary) Stuart (1662-1694), de Britse kronen aangeboden (de koninkrijken Engeland, Schotland en Ierland waren door een personele unie met elkaar verbonden). Met een grote vloot van vijfhonderd schepen en 21,000 man (vier maal zo veel als de Spaanse Armada een eeuw eerder in 1588) vertrok Willem vanuit Hellevoetsluis naar Brixham tegenover Torquay, waar hij op 5 november 1688 landde om na afnemende weerstand door overlopende Engelse, protestantse officieren op 18 december Londen in te nemen. Het is één van de schaarse keren en de laatste keer dat het eiland vanaf het continent wordt veroverd.

Jacobus II is dan al naar het trouw gebleven Ierland gevlucht (11 december), wat door het Londense parlement wordt opgevat als een troonsafstand. Op 13 februari 1689 aanvaardt Willem samen met zijn echtgenote Mary de kronen van Engeland en Ierland (het laatste eiland is in 1541 een koninkrijk in personele unie met Engeland geworden), gevolgd door die van Schotland op 11 april. Het paar regeert samen tot Mary’s dood in 1694, waarna Willem (William) alleen doorgaat tot zijn dood in 1702.

Van de 21,000 man die Willem bij de oversteek had meegenomen, kwamen er 7,000 niet uit de Republiek maar uit andere delen van protestants Europa. Deze hielden hem het eerste jaar nog op de been tegen het allerminst verstomde verzet, dat vooral in Ierland en Schotland aanzienlijk was. De overwinning van Willem bij de Slag aan de Boyne bij het Ierse Drogheda (11 juni 1690) betekende het definitieve einde van het koningschap van Jacobus II (nota bene zijn schoonvader), die daarop de wijk naar Frankrijk nam. De katholieke Ieren gaven hun verzet op bij het Verdrag van Limerick (3 oktober 1691), waarbij hun godsdienstvrijheid was toegezegd die echter door de protestantse Ieren werd geschonden (die waren veruit in de minderheid en bestonden vooral uit Engelsen en Schotten die eerder opzettelijk naar Ierland gekomen waren om daar vervolgens geheel en al de dienst uit te maken). Het zou Ierland in de komende drie eeuwen weinig rust geven, tot het Goede Vrijdagakkoord van 10 april 1998.

Het koningschap van Willem leidde ertoe dat deze zijn aandacht van de Republiek naar Engeland verlegde. Bankiers en adviseurs verkasten van Amsterdam naar Londen en om het bewind te versterken werd er fors geïnvesteerd in leger en marine. De overwinningsroes deed de bevolking toenemen en ook het opleidingsniveau steeg, zaken die niet in de Republiek plaatsvonden.

Ondertussen bleef Lodewijk XIV zijn expansieplannen koesteren (conform de Rijn-Alpen-Pyreneeëndoctrine, zie paragraaf 13). Verontrust door kleinere plaagstootjes hadden de Duitse keizer Leopold I, de Spaanse en Zweedse koningen Karel (Carlos) II en Karel (Carl) XI en een aantal Duitse keurvorsten zich tegen Frankrijk verenigd in de Liga van Augsburg (1686). Deze kwam in actie toen Lodewijk in 1688 de Palts binnenviel. Hiermee begon de Negenjarige Oorlog (1688-1697), waarbij in 1689 ook de Republiek en Engeland zich bij de Liga aansloten (de zogeheten Grote Alliantie). Lodewijk stuitte nu letterlijk op zijn eigen grenzen en moest de Vrede van Rijswijk (20 september 1697) slikken met het verlies van alle in zijn tijd verkregen gebieden (behalve de Elzas en Haïti): Luxemburg, Kortrijk, Ath, Charleroi en Mons/Bergen (Henegouwen) komen terug in de Spaanse Nederlanden. Tevens moet hij het Engelse koningschap van Willem erkennen, dat hij in woorden maar niet in daden doet.

Nog is het Europese machtsevenwicht niet bestendigd. Lodewijk blijft de Engelse troonpretendent James Francis Edward Stuart, The Old Pretender, met gastvrije ballingschap en geld steunen. Zijn kansen keren weer als de Spaanse koning Karel II in 1700 kinderloos sterft en bij testament zeer tegen de wil van de anti-Franse coalitie één van de kleinzoons van Lodewijk XIV als erfgenaam van het hele Spaanse Rijk heeft aangewezen. Met deze Filips (Felipe/Philippe) V  (1683-1746) komen de Bourbons behalve in Frankrijk ook in Spanje aan de macht, waarmee het broze machtsevenwicht in Europa verstoord dreigt te worden. De lont in het kruitvat wordt de Franse bezetting van de Spaanse Nederlanden, waarop de Grote Alliantie te wapen gaat en de Spaanse Successieoorlog is uitgebroken (1701-1713).

De Republiek heeft voorbereidingen getroffen om zich te weer te stellen tegen een nieuwe Franse invasie, maar Willem III zal niet nogmaals in de strijd schitteren. Op 20 februari 1702 valt hij bij Hampton Court van zijn struikelende paard en breekt een sleutelbeen. In het paleis valt hij bij een open raam in slaap en loopt een longontsteking op, waaraan hij op 19 maart overlijdt. Hij is kinderloos. In Engeland, Schotland en Ierland wordt hij opgevolgd door de zus van zijn overleden vrouw, Anna Stuart of Queen Anne (1665-1714), maar in de Republiek, waar men hem tot erfstadhouder had gemaakt, is er geen opvolging. Het Tweede Stadhouderloze Tijdperk (1702-1747) is ingetreden en zou opnieuw de verdeeldheid tussen Staats- en Oranjegezinden aan het licht brengen.

18. De Republiek worstelt: het Tweede Stadhouderloze Tijdperk (1702-1747)

Als Willem III in 1702 kinderloos sterft, besluiten de Staten van Holland die dan weer het dominante gezag in de Republiek uitoefenen, om geen nieuwe stadhouder aan te stellen. De andere gewesten volgen en daarmee is het Tweede Stadhouderloze Tijdperk aangebroken [ 1 ]. De “sterke man” van het nieuwe regentenregime is de Hollandse raadpensionaris Anthonie Heinsius (1641-1720), die wordt beschouwd als “de gedachte achter de meeste anti-Franse coalities die gedurende het einde van de 17e eeuw zijn gesloten om de Franse expansie tegen te gaan“.

Die Franse expansie dreigt sinds de kleinzoon van Lodewijk XIV, Filips (Felipe) V koning van Spanje is geworden (1700) en de mogelijke opvolger van zijn grootvader in Frankrijk is. Anti-Franse krachten verenigen zich en in 1701 breekt de Spaanse Successieoorlog uit.

Nu de Spaanse Nederlanden in feite onder Franse controle zijn gekomen en ook het keurvorstendom Keulen, dat een groot deel van het Rijnland tot de grenzen van de Republiek omvat, vanwege anti-Habsburgse sentimenten aan Franse zijde staat, weet de Republiek zich omsingeld door vijandelijke machten. Met een strijdmacht van 120,000 man, het grootste leger dat de Nederlanden en Nederland ooit op de been heeft gebracht, werpt de Republiek zich gesteund door Engeland in de strijd. Het leidt tot een Franse nederlaag, maar ook de “geallieerden” zijn aan het einde van hun Latijn. De Vrede van Utrecht (11 april 1713, de Utrechtenaren vergaapten zich aan het defilé van hoogwaardigheidsbekleders) had daardoor het karakter van een compromis, te meer daar men Frankrijk niet te veel tegen de borst wilde stuiten. Het doel was een duurzaam machtsevenwicht te creëren, niet alleen in Europa maar ook in de geschillen overzee (in zekere zin was het een wereldvrede) en een einde te maken aan de nog bestaande godsdiensttwisten door rechten van religieuze minderheden te erkennen [ 2 ].

Het was hierbij al duidelijk geworden dat er voor de Republiek in de toekomst geen grote rol meer was weggelegd of, zoals de Franse diplomaat Melchior de Polignac het zou hebben uitgedrukt: “Nous traiterons sur vous, chez vous, sans vous” (“Wij onderhandelen over u, bij u en zonder u“). Het frustreerde de raadpensionaris Heinsius zwaar dat de Engelsen zich zo toegeeflijk hadden betoond, hetzelfde Engeland dat in 1707 met de Acts of Union definitief met Schotland was verbonden tot het Koninkrijk Groot-Brittannië (de vereniging van de Engelse en Schotse parlementen; het sinds 1541 bestaande koninkrijk Ierland viel hier nog buiten, hoewel altijd al met een personele unie met de andere koninkrijken verbonden. Pas in 1801 is er officieel sprake van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Ierland, in 1922 beperkt tot Noord-Ierland).

Met de Vrede van Utrecht kon Filips V koning van Spanje en daarmee ook van de Spaanse Nederlanden blijven met de belofte dat deel van het Spaanse Rijk aan de Oostenrijkse Habsburgers over te doen, maar moest afstand doen van zijn aanspraken op de Franse kroon.

Op 1 september 1715 overlijdt Lodewijk XIV na 54 jaar absolutistische en expansionistisch bewind (“J’aimais trop la guerre“, zou hij in zijn laatste dagen gezegd hebben: “Ik heb teveel van oorlog gehouden“). Intern is Frankrijk uitgeput en het is aan zijn opvolger en achterkleinzoon Lodewijk XV (1710-1774), tot 1723 nog onder het regentschap van zijn overgrootoom Philippe d’Orléans (1674-1723), die orde op zaken moest stellen in de binnenlandse chaos. Dat lukte hem deels, maar de weerstand van degenen die onder de Zonnekoning hun macht beknot zagen, groeit.

Het is inmiddels zonneklaar dat de Republiek in haar overlevingsdrang boven haar stand heeft geleefd. De oorlogsinspanningen drukken met een rentelast van maar liefst 70 % zwaar op de schatkist, terwijl het aandeel in handel en scheepvaart al vanaf het einde van de 17e eeuw is overvleugeld door die van Engeland en Frankrijk. Het zit nog mee dat Amsterdamse bankiers leningen met hoge rente hebben verstrekt aan buitenlandse regeringen en dat Frankrijk en Engeland hun agressieve plannen in de ijskast hebben gezet. Maar kon een Franse bezoeker aan de Republiek in 1719 nog met enige jaloezie optekenen dat “dans ce pays tout est nouveau” (“in dit land is alles nieuw“), in 1764 schrijft de Schotse advocaat en schrijver James Boswell (1740-1795): “You meet with multitudes of poor creatures who are starving in idleness“.

In 1715 waren conform de Vrede van Utrecht de Spaanse Nederlanden overgedragen aan de Oostenrijkse tak van de Habsburgers, dit met name op aandringen van Groot-Brittannië en de Republiek. De nu Oostenrijkse Nederlanden moesten een bufferzone vormen tussen de Republiek en Frankrijk, waarbinnen de Republiek in een aantal steden een garnizoen mocht legeren, de zogenaamde barrièresteden die al bij de Vrede van Rijswijk (1697) na de Negenjarige Oorlog waren ingesteld [ 3 ].

Hoewel de Duits-Oostenrijkse keizer Karel (Karl) VI (1685-1740), die in 1711 zijn oudere broer Jozef I (1678-1711) was opgevolgd (hun vader Leopold I was in 1705 overleden) een centralisatiepolitiek in de Habsburgse erflanden voerde, bleven de Oostenrijkse Nederlanden als “buitengewest” relatief autonoom. Door een chronisch tekort aan mannelijke opvolgers had Karel VI de erfopvolging ook voor vrouwen opengesteld, hetgeen in 1740 resulteerde in het aantreden van Maria Theresia (1717-1780) als aartshertogin en feitelijk heerseres van Oostenrijk. Hoewel dit conform erkende afspraken was, bestreden Karel van Beieren, Filips V van Spanje en August van Saksen en Polen dit: zij achtten haar niet in staat te regeren (wat iets anders zou uitpakken) en claimden zelf de Oostenrijkse kroon. Hierop brak de Oostenrijkse Successieoorlog (1740-1748) uit, waarbij Frankrijk, Pruisen en Spanje het tegen haar en haar bondgenoten opnamen. De Republiek en Groot-Brittannië zagen zich genoodzaakt Oostenrijk te steunen. Franse troepen vielen daarop opnieuw de Zuidelijke Nederlanden binnen. De Staatse garnizoenen in de barrièresteden konden weinig uitrichten, daar hun bondgenoten afgezien van Groot-Brittannië zich geheel richtten op het oostelijke, Silezische front waar het merendeel van de gevechten zich afspeelde.

De Franse successen in de Oostenrijkse Nederlanden deden het draagvlak voor de regenten van de Republiek sterk afnemen. In 1747 moesten zij het stadhouderschap van Willem IV voor de hele Republiek erkennen [ zie voetnoot 1 ]. In feite was de Republiek daarmee een soort vorstendom geworden.

De Oostenrijkse Successieoorlog werd beslecht met de Vrede van Aken (18 oktober 1748), waarbij de Fransen zich uit de Oostenrijkse Nederlanden terugtrokken. De Republiek behoudt de barrièresteden (uitgebreid met Mons/Bergen, Charleroi en de citadel van Gent). De Nederlandse troepen zullen echter vanaf nu niet meer buiten de Republiek in actie komen.

[ 1 ] In Groningen en Friesland was niet Willem, maar Johan Willem Friso van Nassau-Dietz (1687-1711) de stadhouder, tot 1707 onder het regentschap van zijn moeder Henriëtte Amalia van Anhalt-Dessau (1666-1726). Van moederszijde is hij een rechtstreekse afstammeling van Willem van Oranje, “Vader des vaderlands” en na het overlijden van Willem III rechthebbende op de titel “Prins van Oranje”. Het stadhouderloze tijdperk treedt daarom in Friesland en Groningen nog niet in. De gebeurt bij de dood van Johan Willem Friso op 14 juli 1711, als hij bij de oversteek van het Hollandsch Diep tijdens een onverwachte windvlaag overboord slaat en verdrinkt bij Strijensas (Hoekse Waard), een overtocht overigens om Den Haag te bereiken en daar zijn wens om stadhouder van alle gewesten kenbaar te maken. Zijn vrouw Maria Louise van Hessen-Kassel (1688-1765) is op dat moment in verwachting en een zoon wordt op 1 september geboren, Willem IV (1711-1751), waarmee het ook daar erfelijke stadhouderschap in Friesland weer is hersteld, zij het onder de voogdij van Maria Louise, die een goede reputatie in Friesland opbouwt en daarom ook liefkozend “Maaike Meu” of “Maaike Muoike” werd genoemd (“muoike” is Fries voor “tante”; zij legde een grote en wereldberoemde porseleincollectie aan die nu is te bezichtigen in haar huis “Het Princessehof” te Leeuwarden).
Groningen, dat geen erfelijk stadhouderschap kent, erkent Willem IV in 1718, de landschap Drenthe en het gewest Gelre, die dat ook niet kennen, in 1722. Aan het eind van de Oostenrijkse Successieoorlog besluiten ook de andere gewesten, in het nauw gedreven door Franse vorderingen aan de grenzen van de Republiek, Willem IV in 1747 te benoemen tot kapitein-generaal, admiraal-generaal en stadhouder van alle gewesten. Daarmee kwam een einde aan het Tweede Stadhouderloze Tijdperk.

[ 2 ] De Vrede van Utrecht gaf de Republiek toestemming garnizoenen te legeren in de barrièresteden in de Spaanse Nederlanden. Dit waren Namen (Namur), Doornik (Tournai), Menen, Waasten/Warneton, Ieper, Veurne en het Fort Knokke aan de IJzer in het westen en Roermond, Venlo, Gelder(e)n, Weert en het Land van Kessel in het oosten. Groot-Brittannië krijgt onder andere Gibraltar in bezit (tot op de dag van vandaag) en grote delen van de Franse koloniën in Noord-Amerika (Acadië, langs de Hudsonbaai en Newfoundland).

[ 3 ] De Republiek krijgt er na de in voetnoot 2 genoemde barrièresteden bij: Mons (Bergen) in Henegouwen, Charleroi en de citadel van Gent.

19. Een nieuwe tijd breekt aan (1747-1785)

Willem IV wordt in november 1747 verheven tot erfstadhouder van alle gewesten van de Verenigde Nederlanden (behoudens Gelre, dat in februari 1748 zal volgen), alsmede tot kapitein- en admiraal-generaal. Niet eerder is zo veel invloed samengebald in één persoon en in één familie die nu in de hele Republiek het karakter van een dynastie heeft aangenomen. De staatkundige verhoudingen zijn hiermee fundamenteel veranderd: de Republiek vertoont allerlei trekjes van een vorstendom. Het pas in een nieuwe trend in Europa die verlicht despotisme heet: vorsten die ideeën van de Verlichting in hun beleid opnemen maar geen concessies doen aan hun absolute macht: “alles voor het volk, niets door het volk“. Dat dit vanuit diezelfde Verlichtingsidealen op weerstand stuit, mag geen verwondering wekken: het verlicht despotisme verdraagt zich niet met een groeiende roep om meer medezeggenschap van het volk.

De achttiende eeuw wordt wel de Eeuw van de Rede genoemd, waarin de cultuurfilosofische en intellectuele stroming de Verlichting is: logisch en rationeel redeneren in plaats van mystiek en dogma’s leiden tot de benadering en beschouwing van de werkelijkheid. Het is een proces dat typerend is voor de ontwikkelingen in West-Europa en dat door de socioloog Max Weber (1864-1920) “die Entzauberung der Welt” (“de onttovering van de wereld“) wordt genoemd. De kiemen daarvoor zijn al in de Reformatie gelegd, maar de Franse filosoof René Descartes (Renatus Cartesius, 1596-1650) wordt als grondlegger van de Verlichting gezien. Andere belangrijke denkers zijn onder andere Thomas Hobbes (1588-1679), John Locke (1632-1704) en Jean-Jacques Rousseau (1712-1778). Hobbes pleit in Leviathan (1651) voor een absolutistisch staatsmodel om “een oorlog van allen tegen allen” te voorkomen er gaat er daarbij vanuit dat mensen voortdurend met elkaar in conflict zijn, Rousseau gaat daarentegen uit van de goedheid van de mens, die middels een “volonté général” (“algemene wil“) compromissen of consensus nastreeft tussen hem als individu en de gemeenschap om hem heen (“Du Contrat Social“, 1762). [ 1 ]

Het is met name Rousseau die grote invloed uitoefent op de bewegingen in Frankrijk en de Republiek die streven naar volkssoevereiniteit. Van lieverlee verenigen zij zich onder de naam patriotten, zich afzettend (in de Republiek) tegen de orangisten die logischerwijs meer leentjebuur spelen van Hobbes. Nu zo veel macht bij de erfstadhouder is geconcentreerd, zien ook de regenten hun positie bedreigd en sluiten zich voor een groot deel aan bij de patriotten. Hun motief is echter veel minder idealistisch: als aristocraten verdedigen zij hun privileges en rechten die als de Ware Vrijheid te boek staan (zie par.13).

Met veel vertoon, waarbij ook voor het eerst de oranjekleur massaal wordt gekoppeld aan het huis van Oranje-Nassau, presenteert Willem IV zich in een soort “blijde intocht” (een gebruik dat stamt uit de Bourgondische tijd) in 1747 te Amsterdam. De druk op andersgezinden is daarbij zo groot, dat het delen in de “feestvreugde” welhaast verplicht is om er zonder kleerscheuren van af te komen.

Willem IV, die een zwakke gezondheid heeft, overlijdt in 1751 en wordt opgevolgd door zijn 3-jarige zoontje Willem V (1748-1806; tot 1766 onder divers regentschap). Hij mag dan over een minzame persoonlijkheid beschikken, hij toonde zich ook legalistisch en detaillistisch, wat hem onbuigzaam en besluiteloos maakte. Hij laat zich omringen door gelijkgestemden die hij met het zogenaamde patronagestelsel zelf uitkiest. Dit wekt de woede van de gepasseerde aristocratie, die haar Ware Vrijheid beknot ziet.

Met het huwelijk in 1767 met Wilhelmina van Pruisen (1751-1820) kwam een liaison tot stand met het koninkrijk Pruisen, die van belang zal blijken voor de verdere ontwikkelingen in de Republiek.

In dezelfde tijd vonden weer eens grote veranderingen in de Europese machtsverhoudingen plaats die bekendstaan als le renversement des alliances of de diplomatieke revolutie. De oorsprong hiervan was gelegen in de opkomst van Pruisen, dat versterkt uit de Oostenrijkse Successieoorlog (1740-1748) was gekomen en een bondgenootschap met Frankrijk had gesloten. Uit angst voor Pruisische aspiraties aangaande het keurvorstendom Hannover, waarvan de Britse koning George II (1683-1760) ook de keurvorst was, sloot deze een verdrag met Pruisen om inval te voorkomen en waarbij hij in ruil beloofde geen hulp aan Oostenrijk, de aartsvijand van Pruisen, te verlenen, mocht dat land trachten de verloren invloedssfeer terug te winnen. Maria Theresia van Oostenrijk (1717-1780) trachtte daarop Frankrijk van Pruisen los te weken, wat uiteindelijk in 1756 lukte met het Eerste Verdrag van Versailles. Bij een Tweede Verdrag in 1757 werd de Oostenrijks-Franse alliantie uitgewerkt tot een regelrecht bondgenootschap, waarbij Oostenrijk Franse steun kon verwachten in de herovering van verloren gegane Silezische gebieden in ruil voor een Franse inname van Nieuwpoort en Oostende in de Oostenrijkse Nederlanden. Had Maria Theresia aanvankelijk ontwikkelingsplannen voor die Nederlanden, deze werden gefrustreerd door het Barrièretraktaat dat voorzag in invloed van de Republiek in die Nederlanden (de barrièresteden, zie par. 18) om Franse expansie tegen te gaan. Nu kon zij wel leven met het afscheid van de Oostenrijkse Nederlanden, waarbij de functie van dit gebied als bufferzone tussen Frankrijk en de Republiek verloren dreigde te gaan. De laatste hield hierdoor nog maar twee bondgenoten over, Pruisen en Groot-Brittannië, maar met name Pruisen zag zich in de eigen ambitie gedwarsboomd wat leidde tot de Zevenjarige Oorlog (1756-1763) die zich voornamelijk in Silezië afspeelde maar ook buiten Europa, waar Frankrijk en Groot-Brittannië koloniale oorlogen voerden. Het kwam er dus op neer dat de Republiek er praktisch alleen voor stond en door de gespannen toestanden haar toch al in het slop geraakte handel verder zag afnemen.

Er bestaat discussie onder historici over de vraag wanneer en waar het verzet tegen het verlicht despotisme, dat ook als bron van de steeds weer oplaaiende conflicten werd gezien, het eerst vaste voet onder de grond kreeg. In ieder geval waren er op drie plaatsen ontwikkelingen gaande die voorwaarden schiepen voor zulk verzet: in de Republiek, in Frankrijk en in de Britse koloniën in Noord-Amerika. Deze ontwikkelingen zouden uitmonden in revoluties, die het begin van een Nieuwe Tijd inluiden.

[ 1 ] Het concept van het “sociaal contract” is nog altijd actueel, zij het niet in de zeer positivistische zin van Rousseau. De “economische contracttheorie” waarvoor Oliver Hart en Bengt Holmström in 2016 de Nobelprijs ontvingen onderzoekt de effecten van ongelijke ruilverhoudingen op sociale rechtvaardigheid (“equity” of “billijkheid”), de pyschologische en economische “speltheorie” postuleert dat mensen doorgaans niet uit zijn op maximaal, persoonlijk gewin ten koste van de ander, maar genoegen nemen met een redelijk gewin waarmee de contractpartner ook enigszins tevreden kan zijn (Varoufakis!). Ook het werk van de Amerikaanse John Rawls (1921-2002), “A Theory of Justice” (1971) past hierin.

20. Een Europese droom: van het volk, door het volk, voor het volk

In zeker opzicht waren de voorwaarden voor verzet tegen het ancien régime in de Republiek en Frankrijk van hetzelfde karakter, al was de aanloop ernaartoe verschillend. In Frankrijk had de Zonnekoning Lodewijk XIV het land in een economische chaos achtergelaten. Hij was geen “verlicht” vorst en had de feodale standenstructuur steeds intact gelaten. Dit betekende onder andere dat de ook daar gegroeide burgerij en de aristocraten onevenredig veel hadden moeten bijdragen aan de kosten van Lodewijks oorlogsavonturen, dit ten faveure van de hoge adel en geestelijkheid die de dienst uitmaakten in de diverse Franse “parlementen”. Zijn opvolgers trachtten weliswaar middels belastinghervormingen, meer inspraak voor met name de aristocraten en investeringen in de infrastructuur om het platteland te ontsluiten de staatsstructuur te moderniseren, maar stuitten op hevige weerstand van de zittende en oude macht.

Een tragisch mechanisme in de wereldgeschiedenis is dat verzet en uiteindelijk revolutie vooral dan dreigt als op zich hervormingsgezinde regimes zwakheden vertonen in het uitvoeren van hun beleid, een mechanisme dat The Revolution of Rising Expectations wordt genoemd en wordt verklaard uit het ontstaan van een gevoel van relatieve deprivatie: het uitblijven van resultaten voor verwachtingsvolle bevolkingsgroepen. De Franse koningen Lodewijk XV (1710-1774) en Lodewijk XVI (1754-1793) hebben niet aan alle verwachtingen kunnen voldoen, wat de laatste letterlijk zijn kop kostte.

Het Franse verzet vond zijn intellectuele fundament in de werken van de encyclopedisten Diderot (1713-1784) en d’Alembert (1717-1783), de eerder genoemde filosoof Rousseau en de staatkundige Montesquieu (1689-1755) die met zijn scheiding der machten (de Trias Politica) de basis legde voor de democratische rechtsstaat.

In de Republiek had na het Tweede Stadhouderloze Tijdperk (1702-1747) onder de erfstadhouders van Oranje een regressie plaatsgevonden ten opzichte van de hoge verwachtingen die tijdens dat tijdperk gekweekt waren. Ook hier zagen burgers en aristocraten, gezamenlijk de patriotten, hun emancipatie geblokkeerd door een oligarchisch en nepotistisch bewind. De ontwikkelingen in Frankrijk werden nauwlettend gevolgd en verschaften ook de intellectuele basis, zo men wil de legitimatie om in verzet te komen.

In Noord-Amerika lagen de zaken anders. Door de grote afstand met het moederland gingen de Britse koloniën al geruime tijd hun eigen weg, die een sfeer van autonomie, doordesemd met allerlei illegalismen had doen ontstaan zoals handel met mogendheden die door de Britse Acts of Navigation (gegrondvest op het protectionistische mercantilisme) verboden was of alleen met uiterst hoge douanetarieven was toegelaten. Bovendien was er in dat Nieuw Engeland geen standenmaatschappij ontstaan, waardoor achievement iemands sociale status meer bepaalde dan ascription. Zo ver waren deze gewoonten ingesleten dat toenemende pogingen van de regering en het parlement in Londen om hier een einde aan te maken wel op virulent verzet moesten stuiten. Niet alleen waren de kolonisten het beu om keer op keer contingenten Britse criminelen op zich afgestuurd te zien (in Groot-Brittannië was een chronisch gebrek aan gevangenissen dat door de Ierse troebelen alleen maar groter werd), met de komst en aanstelling van belastinginners en militairen die de illegalismen moesten bestrijden, was de maat vol. De Amerikaanse Onafhankelijkheidsoorlog (1775-1783) leidde op 4 juli 1776 tot de eenzijdige Declaration of Independence, die bol stond van de idealen van de Verlichting, maar eerder was ingegeven door minder idealistisch, maar welbegrepen eigenbelang. Het zou de nieuwe Verenigde Staten van Amerika tot op de dag van vandaag parten spelen: de spagaat tussen een zelfverklaarde mythe van The American Dream (“Life, Liberty and The Pursuit of Happiness” en “No Taxation Without Representation“) en het soms opportunistische pragmatisme dat politieke kwesties maar niet tot een definitief einde wil brengen.

Het was misschien ook wel datzelfde opportunistische pragmatisme dat ertoe leidde dat de Republiek er als de kippen bij was om de Amerikaanse onafhankelijkheid te erkennen. Immers, het waren ook diezelfde Acts of Navigation die de Nederlandse handel in de weg zaten, handel die tegen die Acts in ook met Nieuw Engeland werd gedreven.

Het kwam tot escalatie toen de Republiek doorging met de doorverkoop van wapens en munitie aan de Verenigde Staten via haar kolonie op Sint-Eustatius en een door de Britten onderschepte, overigens rechtsongeldige overeenkomst tussen een Amsterdamse koopman en een Amerikaanse diplomaat, waarin het omzeilen van de Britse wetgeving uitvoerig was omschreven. Dit was voor Groot-Brittannië – tot dan toe bondgenoot – voldoende reden om de Republiek de oorlog te verklaren, de Vierde Engels-Nederlandse Oorlog (1780-1784). Deze oorlog resulteerde in een nederlaag voor de Republiek, waarbij zij niet alleen Sint-Eustatius (tot 1815) en het Indiase Negapatnam (vanaf 1658) verloor, maar ook het monopolie (van de VOC, formeel geen staatsbedrijf) op de specerijenhandel door het moeten toelaten van vrije vaart voor de Britten op de Molukken. Het einde van de oorlog was onderdeel van de Vrede van Parijs (definitief op 14 januari 1784), waarbij tevens de Amerikaanse Onafhankelijkheidsoorlog tegen de Britten was beëindigd.

Het bewind van Willem V begon te wankelen. Patriottische agitatie werd neergeslagen, maar orangistische opstootjes bleven onbestraft. De situatie werd zo dreigend dat Willem V met zijn familie uit Den Haag via Friesland naar Het Oude Loo bij Apeldoorn vluchtte. De patriotten grepen hun kans en zochten steun bij hun Franse geestverwanten, daarin gesterkt door het Verdrag van Fontainebleau (8 november 1785) dat de Republiek, Pruisen en Frankrijk hadden gesloten tegen Oostenrijk, wiens keizer Jozef II (1741-1790) tevergeefs had geprobeerd de sinds 1648 formeel bestaande blokkade van de Schelde te doorbreken (dit was de zogeheten Keteloorlog tussen de Republiek en Oostenrijk die niet langer dan een dag duurde, op 8 oktober 1784, en waarbij het enige geloste schot een ketel raakte).

Nu Frankrijk door deze ontwikkelingen zich opeens aandiende als bondgenoot van de Republiek (de zogenaamde barrièresteden in de Oostenrijkse Nederlanden waren nu overbodig geworden en werden door de Staatse troepen verlaten), kregen de patriotten nog meer wind in de rug. De positie van Willem V, maar ook die van de Franse koning Lodewijk XVI werd steeds penibeler.

21. De patriotten roeren zich (1781-1795)

In de nacht van 25 op 26 september 1781 werden in diverse steden vanuit geblindeerde koetsen pamfletten gestrooid met de titel Aan het Volk van Nederland. Het bevatte harde kritiek op het erfstadhouderschap van Oranje, dat als corrupt wordt betiteld en ten gunste van een democratische republiek omver geworpen dient te worden. De reactie van Oranje loog er niet om, maar de opstellers van het pamflet konden niet worden opgespoord. Pas meer dan een eeuw later (1891) kwam vast te staan dat een dwarse politicus, edelman en jurist erachter zat: Joan Derk van der Capellen tot den Pol (1741-1784), die zich had onderscheiden in zijn steun aan de Amerikaanse Onafhankelijkheidsoorlog (Van der Capellen werd een aantal keren aangehaald door Pim Fortuyn als één van zijn inspiratiebronnen bij het dichten van de kloof tussen burger en bestuur).

“Aan het Volk van Nederland” vormde de basis van de patriottische “geloofsbelijdenis” die van 1784 tot 1786 (onvoltooid) werd uitgewerkt in de Grondwettige Herstelling van Nederlands Staatswezen. Hierin werden de vijanden van de volkssoevereiniteit benoemd: de stadhouderlijke regenten die door Willem V middels zijn patronagestelsel waren aangesteld en de aristocratische regenten, betiteld als nóg gevaarlijker omdat zij alleen zichzelf dienden (opmerkelijk is dat Van der Capellen zelf een “aristocratische regent” was …). De ware regent daarentegen was de volksregent die het belang van de hele natie zou dienen.

Tezelfdertijd leed de Republiek in de Vierde Engels-Nederlandse Oorlog (1780-1784) een veelbetekenende nederlaag die een einde maakte aan het Brits-Nederlandse bondgenootschap en leidde tot Frans-Nederlandse toenadering. Ook de positie van stadhouder Willem V werd door de nederlaag ondermijnd, waarop deze Den Haag ontvluchtte.

In de steden begonnen patriotten zich te organiseren in vrijkorpsen en exercitiegenootschappen, gewapende milities die met de nodige intimidatie begonnen stadsbesturen te zuiveren van stadhouderlijke en aristocratische regenten en hen te vervangen door volksregenten (het woord regent was nog niet besmet). Dit lukte onder andere in Utrecht, Amsterdam en Rotterdam.

Er dreigde een burgeroorlog. Willem V, inmiddels naar Nijmegen uitgeweken om van daar zo nodig snel over de grens te kunnen vluchten, toonde zich machteloos en besluiteloos, waarop zijn vrouw Wilhelmina van Pruisen het initiatief naar zich toe trok door naar Den Haag af te reizen om daar de Staten van Holland te bewegen tot ingrijpen. Het wordt sterk vermoed dat zij voor zichzelf een hoofdrol zag weggelegd als feitelijk machthebber boven haar allerwegen als zwak beoordeelde echtgenoot. Het speelde zeker mee dat zij reeds verzekerd was van Pruisische steun, daar haar broer Friedrich Wilhelm II (1744-1797) inmiddels koning van dat land geworden was (1786).

De patriotten kregen lucht van haar missie en wisten haar op 28 juni 1787 bij Goejanverwellesluis aan te houden en te doen terugkeren naar Nijmegen (het incident vond in werkelijkheid plaats te Bonrepas aan het riviertje de Vlist tussen Schoonhoven en Gouda). Het was echter een kortstondige zege, want Friedrich Wilhelm liet zijn veldmaarschalk, de hertog van Brunswijk (1735-1806) met een groot leger de Republiek binnenvallen. Dit betekende het voorlopige einde van de patriottische revolutie en het begin van de Oranjerestauratie [ 1 ].

In Frankrijk bereikte de revolutie met de bestorming van de staatsgevangenis Bastille op 14 juli 1789 haar culminatiepunt. In de twee jaar ervoor, direct na de Oranjerestauratie in de Republiek, waren veel patriotten naar Frankrijk gevlucht en hadden daar, nota bene met financiële steun van Lodewijk XVI [ 2 ], invloedrijke posities ingenomen onder de Franse patriotten. Sommige historici betogen dat de Nederlandse invloed op de Franse oppositie zelfs van doorslaggevend belang is geweest voor het slagen van de revolutie aldaar.

Nu is dit een Nederlandse geschiedenis, zodat het te ver zou voeren om het beloop van de Franse Revolutie te beschrijven. Ik veronderstel het als bekend dat deze revolutie tal van wendingen kende die met groot bloedvergieten gepaard gingen, waarvan ook de koning (afgezet in 1792) en zijn gemalin Marie-Antoinette van Oostenrijk (1755-1793) het slachtoffer werden.

De Franse binnenlandse twisten en de niet opgeloste chaos die een groot deel van de bevolking aan de bedelstaf bracht, deed de revolutionairen een vlucht naar voren doen door onder het mom van ondersteuning opstandige gebieden buiten Frankrijk binnen te vallen. De minder idealistische reden was het afwenden van de aandacht voor de interne chaos en het behalen van financiële voordelen in de veroverde streken. In 1793 werden om die redenen de Oostenrijkse Nederlanden binnengevallen met de aanvankelijke instemming van de Nederlandse patriotten, die een doorstoot naar de Republiek sanctioneerden om zo de “kliek” van Willem V te verjagen. Daags voor de komst van Franse troepen in Amsterdam, op 18 januari 1795, vlucht Willem V met zijn entourage naar Groot-Brittannië [ 3 ].

[ 1 ] Kort hiervoor was in Amsterdam het “Bijltjes- of Kattenburgoproer” uitgebroken. De aanstichters waren opgehitste, orangistische scheepstimmerlieden. Vanwege hun ambacht en de gereedschappen die zij bij de uitoefening daarvan gebruikten, wordt dit oproer ook “bijltjesdag” genoemd, de oorsprong van dit woord.

[ 2 ] De steun van Lodewijk XVI aan Nederlandse patriotten is minder vreemd dan het lijkt. Hij trachtte de door zijn grootvader Lodewijk XV ingezette hervormingspolitiek voort te zetten en vond daarbij de hoge adel en de geestelijkheid op zijn weg. Daarom zocht hij steun bij aristocraten die net als in de Republiek de zijde van de patriotten hadden gekozen. Maar ook deze aristocraten kwamen in een slechte reuk te staan omdat zij ervan verdacht werden louter uit eigenbelang te handelen en bovendien de meer radicale eisen voor werkelijke volkssoevereiniteit niet ondersteunden. De koning werd hierin meegesleurd door een enigszins achterbakse machinatie van zijn minister van financiën, Jacques Necker (1732-1804) die in zijn Compte rendu du roi (“Verantwoording door de koning”, 1781) buiten medeweten van Lodewijk een veel te rooskleurig beeld van ‘s lands financiën had geschetst. In plaats van met belastingverhogingen (met name voor de hoge adel en geestelijkheid) had Necker onder andere de kosten van deelname aan koloniale oorlogen in Noord-Amerika gefinancierd met dubieuze en verdoezelde leningen, zodat Frankrijk in 1787 de facto failliet was.

[ 3 ] De Pruisische inval mocht niet de schijn wekken een bezetting van de Republiek te zijn, omdat dat mogelijk tot Franse inmenging zou kunnen leiden en een grote oorlog zou kunnen ontketenen. Koning Friedrich Wilhelm II hoopte er meer op, dat de orangisten door de Pruisische ondersteuning zelf het voortouw namen om de stadhouder in zijn functie te herstellen. Pruisen zou dan tussen die orangisten en de patriotten bemiddelen. Het is mede vanuit deze opzet dat Pruisen zich afzijdig hield, toen de Fransen toch overgingen tot een bezetting van de Nederlanden.

22. Patriotten en Fransen tegen Oranje

Zoals ik al meermalen heb opgemerkt, bestond in de Nederlanden al vanaf de 16e eeuw een moeizame relatie tussen de diverse gewesten en steden enerzijds en de stadhouders anderzijds. Het bestuur van de gewesten en steden werd gedomineerd door regenten die merendeels afkomstig waren uit de lagere adel en de gegoede burgerij. Anders dan in het overgrote deel van Europa vormden zij een relevante tegenmacht tegen heersers met vorstelijke aspiraties, waarbij de aldus verworven rechten en privileges een zekere mate van gedeeld bestuur tot stand hadden gebracht. Onder dit gesternte was een voedingsbodem gelegd voor verdergaande machtsdeling die we kennen als democratie.

Buiten de Republiek werd deze ontwikkeling in vooruitstrevende kringen met belangstelling gevolgd. Zo kon het gebeuren dat de Amerikaanse onafhankelijkheidsverklaring van 1776 deels was geïnspireerd op de Akte van Verlatinghe, het afzweren van de Spaanse koning door de Nederlandse edelen in 1581.

Precies twee eeuwen later, in 1781, lieten de Nederlandse patriotten luid van zich horen met de verspreiding van het pamflet Aan het Volk van Nederland, dat weer was ingegeven door de ontwikkelingen in Noord-Amerika en de werken van Verlichtingsdenkers als Descartes, Spinoza, Rousseau en Montesquieu, die in de relatief tolerante Republiek brede aandacht kregen. Vervolgens ontstond er soort wisselwerking tussen ontwikkelingen hier en in Frankrijk, waar een revolutionaire sfeer aan het groeien was door de beloofde maar uitblijvende hervormingen (“The Revolution of Rising Expectations“).

Het bracht de beide naties nader tot elkaar, te meer daar het bondgenootschap tussen de Republiek en Groot-Brittannië was gesneuveld naar aanleiding van Nederlandse (en Franse) betrokkenheid bij de Amerikaanse onafhankelijkheid door het omzeilen van Britse handelsembargo’s (The Acts of Navigation).

Binnen de Republiek was het broze machtsevenwicht tussen het stadhouderlijk gezag en de patriotten echter zo verstoord geraakt, dat een burgeroorlog dreigde die werd afgewend door Pruisisch ingrijpen en het herstel van het bijna verloren stadhouderlijk gezag, de zogenaamde Oranjerestauratie.

De aanwezigheid van Pruisische troepen mocht, om Frankrijk niet bij een oorlog te betrekken en de patriotten niet al te veel tegen het hoofd te stoten, echter niet lijken op een “bezetting”. De slagkracht van de Pruisische troepen was daarom beperkt. Franse bemoeienis was echter onafwendbaar doordat in Frankrijk de invloed van de zogenaamde girondijnse factie na de bestorming van de Bastille in 1789 groeide. Deze girondijnen, gesteund door gevluchte Nederlandse patriotten, wilden de revolutie exporteren om de aandacht van de binnenlandse problemen af te leiden en in de verwachting de veroverde (of bevrijde, het is maar net hoe je het bekijkt) gebieden te kunnen exploiteren om de economische crisis in Frankrijk te bestrijden: “Wij kunnen pas gerust zijn als heel Europa in vuur en vlam staat“, sprak hun leider Jacques Pierre Brissot (1754-1793).

De Oranjerestauratie betekende ook het einde van de patriottische vrijkorpsen. Veel van hun leden waren daarop naar Frankrijk gevlucht. In 1792 werd uit hun midden het Bataafs Legioen (Légion Franche Étrangère) opgericht als onderdeel van het Franse leger. Het initiatief daartoe was genomen door Herman Willem Daendels (1762-1818) en nog goedgekeurd door koning Lodewijk XVI.

In hetzelfde jaar verenigden Frankrijks vijanden (Oostenrijk, Pruisen, de Republiek, Groot-Brittannië, Spanje, Portugal, Napels-Sicilië, Piëmont-Sardinië en een aantal kleinere, vooral Duitse staten) zich en is de Eerste Coalitieoorlog (1792-1797) uitgebroken. Met wisselend succes weet Frankrijk toch de overhand te krijgen. Op 6 november 1792 heeft de Franse generaal Dumouriez (1739-1823) de Oostenrijkse Nederlanden onder controle, gevolgd op 1 februari 1793 door een Franse oorlogsverklaring aan de “tirannen” George III van Groot-Brittannië en stadhouder Willem V persoonlijk. Inmiddels is Lodewijk XVI op 21 januari onthoofd en Dumouriez begonnen met de inval in de Republiek. De macht in Frankrijk is echter in handen gekomen van de jakobijnen onder Maximilien Robespierre (1758-1794) die zich meer bekommeren om het uitschakelen van binnenlandse vijanden dan de oorlogsvoering in bezette gebieden (deze periode staat bekend als de Terreur). Dumouriez wordt daarom teruggeroepen, waardoor van de inval in de Republiek voorlopig niets terechtkomt (Dumouriez, gefrustreerd, zou later naar de Oostenrijkers overlopen).

In de Republiek was een Geheim Comité onder leiding van Carel Wouter Visscher (1734-1802) in afwachting van de komst van de Fransen begonnen zich te bewapenen (in het geheim opgeslagen op het Amsterdamse Bickerseiland) teneinde een revolutie te ontketenen (14 oktober 1793). Dit mislukte door verstek van de Fransen en vervolgens verraad (er vielen overigens geen slachtoffers).

In juli 1794 was het in Frankrijk alweer gedaan met het schrikbewind van Robespierre, dat werd opgevolgd door een gematigdere en gemengdere factie, het Directoire, die tot de staatsgreep van Napoléon (1799) aan de macht zou blijven. Onder dit nieuwe bewind kon generaal Pichegru (1761-1804) vanaf de winter 1794/95 alsnog de Republiek binnenvallen. Op 16 januari 1795 werd Utrecht ingenomen, waarbij de Republiek capituleerde. Met de Oranjerestauratie is het gedaan. Twee dagen later arriveren de Fransen te Amsterdam, waar de vrijheidsboom op de Dam wordt opgericht en een volksfeest wordt gevierd. Willem V is eerder die dag met zijn gevolg en bezittingen naar Groot-Brittannië gevlucht. Op 19 januari wordt de Bataafse Republiek uitgeroepen. Met de Vrede van Campo Formio (17 oktober 1797) worden de zuidelijke Nederlanden door Oostenrijk aan Frankrijk overgedragen.

23. De Bataafse Republiek en de eerste Grondwet

De houding van de Nederlandse patriotten, met name hun alliantie met Frankrijk, behoeft wat toelichting. De vraag kan immers gesteld worden of daarmee niet een paard van Troje was binnengehaald en of dat ook niet door sommigen willens en wetens is gebeurd. In het laatste geval laadt men de verdenking op zich van landverraad.

Zeker de naar Frankrijk uitgeweken patriotten moeten geweten hebben dat de Franse revolutionaire leiders er belang bij hadden de revolutie te exporteren met het minder idealistische doel de ingenomen gebieden voor eigen economisch gewin te exploiteren.

De Nederlandse patriotten hadden er daarentegen ook geen belang bij dat de Franse Revolutie zou mislukken door interventie van de anti-Franse geallieerden (de Eerste Coalitieoorlog, zie par. 22), die ook de Nederlandse volkssoevereiniteit verder weg dan ooit zou voeren. In feite was de Republiek immers al bezet door Pruisen.

Een andere beweegreden om de houding van de patriotten te verklaren, is hun internationale gerichtheid: het ging om universele mensenrechten die zeker onder de meer principiële patriotten als een hoger doel gesteld waren dan een nationale soevereiniteit. Zolang de lokale eigenheden en een democratisch bestuur waren gewaarborgd, maakt het dan ook niet zo veel uit of de centrale regering nu zetelt in Parijs of in Den Haag.

Blijft over dat de Nederlandse patriotten zich wellicht wat naïef hebben betoond ten aanzien van de evenwichtigheid in de relatie met de Franse geestverwanten. Hierbij moet wel worden opgemerkt, dat de patriotten zonder enige steun van buitenaf geen schijn van kans hadden gehad. Dat zou blijken na de definitieve nederlaag van Napoléon bij Waterloo in 1815.

En zo konden de legers van Pichegru, met het Bataafs Legioen onder zijn opperbevel, de hele Nederlanden bezetten: de zuidelijke bevrijd van het despotische bewind van Jozef II van Oostenrijk en het al even dictatoriale bewind van het prinsbisdom Luik, de noordelijke in de vorm van een Franse vazalstaat, de Bataafse Republiek, uitgeroepen op 19 januari 1795.

De zaken tussen deze nieuwe republiek en de Franse revolutionaire regering werden beklonken bij het Verdrag van Den Haag (16 mei 1795). Daarbij werd het gelijk duidelijk welke prijs de Bataafse Republiek moest betalen voor de Franse “ondersteuning” en het behoud van de soevereiniteit. De Franse eisen waren een schadeloosstelling voor de oorlogskosten van 200 miljoen gulden, onderhoud van de bezettingsmacht (25,000 man) en het afstaan van het grondgebied bezuiden de Waal en de Oosterschelde. In dit licht is het nog een prestatie van formaat dat de Bataafse delegatie onder leiding van Pieter Paulus (1753-1796) deze eisen wist terug te brengen tot 100 miljoen en het behouden van delen van Gelderland (Rijk van Nijmegen, Land van Maas en Waal en de  Bommelerwaard), voormalig Staats-Brabant (het grootste deel van het huidige Noord-Brabant), Walcheren en de Bevelanden. Hierbij moet ook nog worden aangetekend, dat dit de eerste keer was dat Frankrijk niet tot een algehele annexatie was overgegaan. Het resultaat was omstreden, maar lokte vanwege de toch bereikte “successen” geen verzet uit.

Boven de nationale belangen uit waren er geen grote verschillen tussen de Eerste Franse Republiek, waar na de periode van de Terreur een gematigd burgerbestuur aan de macht was gekomen, en de Bataafse Republiek. In de laatste bereidt het Voorlopig Bewind een nationale vergadering voor, die zich moet buigen over de definitieve staatsstructuur, die in een grondwet vervat moet worden. Het doel is de “een- en enigheid” van de republiek, gebaseerd op een centraal en democratisch bestuur met minder invloed van de gewesten en steden, die in het verleden een verlammende werking op de besluitvorming had. de macht van de “oligarchen” (lees: de stadhouderlijke en aristocratische regenten, zie par. 21) mocht geen kans meer krijgen en er moest een uniforme rechts- en regelgeving komen (zoals in de rechtspraak, in de maten en gewichten en in de belastingheffing) met gelijkberechtiging voor alle onderdanen (emancipatie van met name de katholieken en joden). Een belangrijke persoon was hierbij de genoemde Pieter Paulus, bijgenaamd de apostel der mensheid die reeds in 1793 op belangrijke kwesties was ingegaan in zijn publicatie “In welken zin kunnen de menschen gezegd worden gelyk te zyn? En welke zyn de regten en pligten die daaruit voortvloeien?“.

Op 1 maart 1796 komt de Eerste Nationale Vergadering in Den Haag bijeen. De 126 afgevaardigden zijn via getrapte verkiezingen (via kiesmannen) in 126 districten door grondvergaderingen gekozen via censuskiesrecht, nochtans de eerste vrije verkiezingen in de Nederlanden. Pieter Paulus is de eerste voorzitter, maar zou een longontsteking oplopen waaraan hij op 17 maart overlijdt. Veel irritatie is hem daarmee bespaard, want de vergadering die maar een mandaat van anderhalf jaar heeft, komt niet tot besluiten (wel zijn de gelijke burgerrechten voor onder andere de katholieken en joden en de scheiding van kerk en staat vastgelegd).

Tijdens de Eerste Nationale Vergadering komen opnieuw de aloude tegenstellingen aan het licht tussen degenen die een gecentraliseerde eenheidsstaat nastreven, nu unitariërs genoemd, en zij die de autonomie van de gewesten willen behouden, de federalisten.

Na veel gedoe over de samenstelling van een grondwetscommissie wordt het ontwerp voor een “Staatsregeling“, bestaande uit 918 artikelen (“het dikke boek“) vlak voor het verlopen van het mandaat van de Vergadering weggestemd. Er werd daarom een Tweede Nationale Vergadering samengesteld (1 september 1797). In januari 1798 was er echter nog geen enkele voortgang geboekt, wat deels te wijten was aan de obstructie van de 40,000 kiesmannen die tussen de grondvergaderingen en de afgevaardigden in opereerden en het niet nalieten de laatsten te beïnvloeden (wat natuurlijk niet de bedoeling was). Ondertussen heeft op 11 oktober 1797 de Zeeslag bij Kamperduin plaatsgevonden, waarbij een Nederlandse vloot onder Frans oppercommando, die een afleidingsmanoeuvre uitvoerde om een Franse invasie in Ierland ter ondersteuning van de rebellen aldaar mogelijk te maken, door de Britten werd verslagen.

Voor de unitariërs was de maat vol. Met Franse instemming werden 22 gematigde en federalistische leden van de Vergadering door Daendels (zie par. 22) gearresteerd. De overige leden werden gedwongen om het stadhouderlijk bestuur (de terugkeer ervan was nog altijd een issue), het federalisme, de aristocratie en de anarchie af te zweren. De elf leden die dit weigerden, kregen “stadsarrest” opgelegd (zij mochten Den Haag niet verlaten) en overgebracht naar het Huis ten Bosch. Het overgebleven “rompparlement” kreeg de naam Constituerende Vergadering. Tevens werd een Uitvoerend Bewind (een soort kabinet) ingesteld. De een- en enigheid van de Bataafse Republiek (nu ook wel Nederland genoemd) was daarmee een feit.

Op 23 april 1798 wordt de door de commissie-Ockerse opgestelde “concept-Staatsregeling” door referenda onder de grondvergaderingen goedgekeurd en heeft Nederland zijn eerste Grondwet. Het Uitvoerend Bewind, bestaande uit radicale unitariërs waarvan Wijbo Fijnje (1750-1809, een doopsgezind predikant) en Pieter Vreede (1750-1837, een doopsgezinde lakenfabrikant) de belangrijkste zijn [ 1 ], ontbindt op 6 mei de grondvergaderingen en de burgersociëteiten waar die vergaderingen doorgaans plaatsvonden,  die eerder verantwoordelijk werden gehouden voor de besluiteloosheid. Nieuwe verkiezingen worden voor onbepaalde tijd uitgesteld.

Twee “agenten” (ministers) in het Uitvoerend Bewind, Jacobus Spoors (1751-1833) en Alexander Gogel (1765-1821) voorzagen hierdoor problemen en verzochten de Fransen en Daendels in te grijpen. Dit leidde tot een tweede staatsgreep (de eerste was de arrestatie van de leden van de Tweede Nationale Vergadering) op 12 juni 1798. De Grondwet, “Staatsregeling voor het Bataafsche Volk“, treedt in werking en een nieuw Uitvoerend Bewind wordt wordt samengesteld, dat voortaan verantwoording moet afleggen aan een gekozen parlement, het Vertegenwoordigend Lichaam (31 juli), dat uit twee Kamers bestaat.

In hetzelfde jaar 1798 wordt de VOC geliquideerd. De compagnie die al jaren geen dividenden kon uitkeren, had een schuldenlast opgebouwd die nu aan de staat verviel.

[ 1 ] Het is misschien veelzeggend dat uitgerekend doopsgezinde leden in het Uitvoerend Bewind zulke radicale unitariërs waren. In de 16e en 17e eeuw waren zij onderhevig aan vervolging van de “officiële” calvinisten van de Nederduits Gereformeerde Kerk, die tot en met de Oranjerestauratie (1787-1795) de staatskerk was.

24. De Bataafse Republiek: van je vrienden moet je het hebben

De Staatsregeling voor het Bataafse Volk van 1798 was Nederlands eerste Grondwet [ 1 ]. Deze constitutie was vooral de bezegeling van de overwinning van de unitariërs op de federalisten (zie par. 23). Zo werden de historische gewesten vervangen door naar wateren genoemde departementen (met uitzondering van het Departement van Texel, dat grotendeels samenviel met de huidige provincie Noord-Holland), zoals dat tot op heden nog in Frankrijk het geval is. Als Franse “vazalstaat” viel de hele staatsinrichting van de Bataafse Republiek binnen de grenzen van wat Frankrijk toeliet. Dit gold zeker ook voor de speelruimte van leger en marine, die onder Frans centraal opperbevel stonden.

De deceptie onder antirevolutionaire krachten na de nederlaag in de Eerste Coalitieoorlog tegen de Fransen (1797) kon niet onbeantwoord blijven, temeer daar Groot-Brittannië niet bij de capitulaties betrokken was. Samen met Oostenrijk sloot dat land in 1799 een nieuwe coalitie, waarbij naast het Koninkrijk Napels, Portugal en de Franse royalisten voor het eerst ook het Ottomaanse Rijk en Rusland betrokken werden. De Tweede Coalitieoorlog die hiervan het gevolg was (1799-1802) speelde zich weliswaar voornamelijk in en rond de Alpen af, maar breidde zich uit naar de kop van Noord-Holland toen de succesvolle Alpenoperaties Groot-Brittannië en Rusland ertoe brachten daar een tweede aanval te plegen (landing bij Callantsoog op 27 augustus 1799). De Britse minister van buitenlandse zaken Grenville (1759-1834) had zich daarbij door de in ballingschap te Londen verblijvende Willem V laten overtuigen dat een dergelijke inval op brede steun van de bevolking zou kunnen rekenen. Bovendien was de Franse troepenmacht niet op volle sterkte. De gezamenlijke Brits-Russische Expeditie naar Noord-Holland verliep aanvankelijk dan ook voorspoedig. De Nederlandse troepen, onder bevel van de inmiddels tot generaal gepromoveerde Daendels leden bij Callantsoog een nederlaag en een inschattingsfout waarbij de fortificaties rond Den Helder, de belangrijkste marinehaven, onverdedigd bleven, leidde tot volledige overgave van de Bataafse vloot (30 augustus), waarvan overigens een groot deel van de bemanning inderdaad orangistische sentimenten koesterde.

Anders lag dit bij de Bataafse landmacht en de bevolking van Noord-Holland, wier overwegend patriottische gezindheid nog werd versterkt door de persoonlijke komst van Willem V en het hijsen van oranje vlaggen. Willem V had daarbij geen duidelijk verhaal over waarom zijn stadhouderlijk gezag zou moeten worden hersteld.

De diverse manoeuvres van beide zijden werden ernstig bemoeilijkt door de aard van het landschap, dat destijds bestond uit een smalle en zelfs onderbroken duinenrij (de Hondsbossche Zeewering), waarachter drassige en door talrijke sloten doorkliefde polders lagen die slechts door hoge en smalle dijkwegen waren ontsloten. De numerieke overmacht van de Britten en de iets later arriverende Russen zorgde nog voor geallieerde overwinningen (Krabbendam 10 september, Alkmaar 2 oktober), maar de bloedige Slag bij Bergen (19 september) eindigde onbeslist, terwijl orangistische acties elders in het land (vooral in Friesland, Overijssel en Gelderland) allen werden neergeslagen. De Bataafse inundaties van de vruchtbare polders onder de lijn Alkmaar-Hoorn beroofden de Brits-Russische invasiemacht ten noorden van die lijn van hun bevoorrading. Het kantelmoment werd de Slag bij Castricum (6 oktober) die door de Fransen en Nederlanders werd gewonnen.

Fluks werd een bestand overeengekomen, de Conventie van Alkmaar (10 oktober), dat voorzag in een vrije aftocht van Britten en Russen. Niets werd geregeld over de teruggave van de Bataafse vloot, die dan ook als verloren moest worden beschouwd. Er werd en wordt over gespeculeerd dat de Franse aanvoerder, generaal Guillaume Brune (1763-1815) door de Britse bevelhebber Frederick hertog van York (1763-1827) was omgekocht om dit mogelijk te maken.

Hoewel de militaire overwinning dus toekwam aan de Fransen en Nederlanders, waren de politieke gevolgen bijkans omgekeerd. Groot-Brittannië en Rusland konden hun overleefde manschappen weer inzetten in de nog niet beëindigde Coalitieoorlog (de Britten werden in Londen zelfs als overwinnaars verwelkomd), terwijl in Frankrijk ongenoegen groeide over de “slappe” voorwaarden van het bestand. Dit kan hebben bijgedragen aan de val van het burgerbewind van het Directoire door de machtsgreep van Napoléon Bonaparte (1769-1821) op 9 november 1799 (18 Brumaire VIII volgens de revolutionaire tijdrekening), waarmee in veel opzichten ook de Franse Revolutie in haar geheel tot een einde kwam.

Zuur was de nasleep ook voor de Bataafse Republiek. Niet alleen liet Frankrijk haar niet delen in de eer van de overwinning, ook de rol van Daendels was voorlopig uitgespeeld. Het onverdedigd laten van de Helderse forten en het verlies van de Bataafse vloot dat daarvan het gevolg was, werd hem zwaar aangerekend. De beschuldiging van verraad kon hij ternauwernood ontzenuwen.

De aloude Hollandse zeemacht was, mede omdat de Britten hun blokkade van de Nederlandse kust konden voortzetten, gebroken. De belangrijkste basis voor de economie was daardoor weggevallen. Een langdurige recessie trad in en het land verviel tot een overwegend agrarische natie met een zorgelijk groot pauperdom. We weten inmiddels dat deze “Verelendung” eerder leidt tot politieke apathie dan tot opstand (hier gaat Marx mank), zodat dit en de ontwikkelingen in Frankrijk leidden tot hernieuwde machtsverhoudingen in de top van de Bataafse Republiek, nu ook de glans van de patriottische zaak verflauwde.

Het nieuwe autoritaire bewind van Napoléon in Frankrijk, die zich als consul tot alleenheerser had uitgeroepen, opperde steeds meer bezwaren tegen de Bataafse Staatsordening van 1798, die hoewel niet volledig dan toch voor een belangrijk deel op democratische grondrechten was gebaseerd. Onder deze druk vond in 1801 een Grondwetsherziening plaats, waarbij de naam van de Republiek werd gewijzigd in het Bataafs Gemenebest (al bleef men ook in regeringskringen nog wel spreken van “de Republiek” of zelfs “Nederland”). Het Vertegenwoordigend Lichaam (parlement) heette voortaan Wetgevend Lichaam en het Uitvoerend Bewind (kabinet) werd het Staatsbewind. Tevens werd een striktere scheiding der machten (de Trias Politica) doorgevoerd. Ook kwam een nieuwe departementale indeling tot stand, waarbij de namen van de oude gewesten weer terugkeerden.

Maar de grootste verandering betrof de uitbreiding van de bevoegdheden van het Staatsbewind ten koste van die van het Wetgevend Lichaam, die waren teruggebracht tot het slechts kunnen goed- of afkeuren van door het Staatsbewind voorgekookte wetten (geen “initiatief- of amendementsrecht” meer). Dit was nog maar de opmaat naar een verdere uitholling van de democratie, die stapsgewijs zou uitmonden in een volledige annexatie door het inmiddels tot keizerrijk verheven Frankrijk, in 1810.

[ 1 ] Een aantal bepalingen in de Unie van Utrecht (1579) hadden feitelijk al grondwettelijke kracht. Het betrof hier onder andere bepalingen ten aanzien van de rechtspositie van de gewesten, de gemeenschappelijke defensie en godsdienstkwesties.

25. Schimmelpenninck, Lodewijk en Napoléon (1805-1813)

De Grondwet van 16 oktober 1801, waarbij de naam van de Bataafse Republiek werd gewijzigd in het Bataafs Gemenebest, concentreerde vrijwel alle uitvoerende en wetgevende macht in het twaalfkoppige Staatsbewind. Het Wetgevend Ligchaam, de door getrapte verkiezingen en uit 36 leden bestaande “volksvertegenwoordiging” kon slechts voorstellen van het Staatsbewind goed- of afkeuren. Vanuit het Slot Oranienstein in Rijnland-Palts doen Willem V en zijn zoon Willem Frederik (1772-1843, de latere koning Willem I) afstand van het erfelijk stadhouderschap (de Brieven van Oranienstein, verzonden in december 1801 naar vijftien prinsgezinde oud-regenten van de Republiek der Verenigde Nederlanden). Het is de eis van de Eerste Consul van de Franse Republiek, Napoléon Bonaparte, om de geconfisqueerde bezittingen van het huis Oranje-Nassau gecompenseerd te krijgen. Tevens kunnen de oud-regenten weer posities in het landsbestuur innemen [ 1 ], die hen door dezelfde Willem na de Franse invasie van 1795 waren verboden (of althans ontraden in de zogenaamde Brieven van Kew).

Napoléon, die zichzelf op 2 december 1804 tot keizer had laten kronen, bleef echter ontevreden met de gang van zaken in het Bataafs Gemenebest. Nog in hetzelfde jaar verzocht hij de Nederlandse ambassadeur te Parijs, Rutger Jan graaf Schimmelpenninck (1761-1825) weer een nieuwe grondwet te schrijven die in 1805 van kracht werd. Op 29 april werd Schimmelpenninck (die overigens ook al betrokken was bij de besprekingen tijdens de Vrede van Amiens in 1802 [ 2 ] ) geïnstalleerd als raadpensionaris, nu in feite een soort (minister-)president, waarbij in Nederland voor het eerst een volledig eenhoofdig bestuur was gevestigd.

Het bewind van Schimmelpenninck zou niet lang duren, maar in deze korte periode zijn belangrijke hervormingen tot stand gebracht die tot op de dag van vandaag doorklinken. Op het terrein van de belastingen werden accijnzen op diverse goederen ingevoerd, alsook de grondbelasting en het daarmee verbonden kadaster. Tevens werd een aanvang gemaakt met het werkgeversaandeel in de loonbelastingen [ 3 ]. Tenslotte kwam ook een onderwijswet tot stand die voorzag in staatsondersteuning voor openbare scholen.

Als men Schimmelpennincks bewind, dat slechts duurde tot 5 juni 1806 (ruim dertien maanden), overziet dan komt onvermijdelijk de vraag op waar de grens ligt in de verenigbaarheid van daadkrachtig bestuur enerzijds en democratische controle anderzijds. Natuurlijk was het zo dat de in deze korte periode doorgevoerde hervormingen al veel langer in bureauladen lagen en maar op het geschikte moment hoefden te worden afgestoft. Maar ook is het zo, dat eenmaal in gang gezetten wet- en regelgeving door opvolgende regimes niet zo maar met één pennenstreek kunnen worden teruggedraaid zonder de gevolgen van onrust en langdurige oppositie daartegen voor lief te nemen. Gewenning en vaak ook voordelen van staande wet- en regelgeving kunnen daartoe leiden. Dat zou een les moeten zijn voor politici die onbezonnen beloven dat zij wel even de bakens zullen gaan verzetten.

Dat bleek ook uit het optreden van Schimmelpennincks opvolger als “staatshoofd” van Nederland, koning Lodewijk Napoleon of Lodewijk I van Holland (1778-1846). De eigengereidheid van Schimmelpenninck was keizer Napoléon een doorn in het oog. Met de benoeming van zijn jongere, 27-jarige broer op 5 juni 1806 tot koning van het Koningrijk Holland, weer een Franse vazalstaat met weer een nieuwe Grondwet (7 augustus), meende hij daaraan een eind te kunnen maken. Het bleek een kat in de zak.

Om Lodewijk Napoleon te betichten van diepgewortelde democratische principes gaat veel te ver. Eerder gedroeg hij zich als een vriendelijke, verlichte despoot. Hij was de “Hollandse zaak” zeer toegedaan, door te trachten de opposanten van zijn min of meer onvrijwillige koningschap aan zich te binden. Daarvoor deed hij half geslaagde pogingen om zich de Nederlandse taal eigen te maken (“Iek ben konijn van Olland“, waarschijnlijk apocrief al hoor het de Belgische premiers Di Rupo en Michel zo zeggen) en betoonde zich betrokken bij nationale rampen zoals de Leidse buskruitramp (12 januari 1807) en de watersnoden van 1808 en 1809, in welke gevallen de koning met gezwinde spoed ter plaatse was om de schade op te nemen en de slachtoffers te steunen. Niet eerder was dit door enige gezaghebber vertoond, laat staan dat zij zoals Lodewijk Napoleon in het geval van de buskruitramp 30,000 gulden uit eigen zak ter beschikking stelde, het begin van wat later het Nationaal Rampenfonds zou worden. Ook richtte hij het Koninklijk Instituut van Wetenschappen, Letteren en Schone Kunsten (later Koninklijke Akademie van Wetenschappen, KNAW), inclusief een Koninklijke Bibliotheek op.

Van zijn voorgangers had Lodewijk Napoleon een vrijwel failliete staatsboedel geërfd, die nog meer te lijden kreeg door de invoering door keizer Napoléon van het Continentaal Stelsel, dat alle handel tussen het Verenigd Koninkrijk en het Europese vasteland verbood. Als tegenmaatregel blokkeerde dat koninkrijk alle Franse handel met de rest van de wereld. De staatsschuld liep mede hierdoor zo hoog op, dat er in 1809 tegen 33 miljoen gulden belastinginkomsten een bedrag van 39 miljoen aan rente op staatsschulden moest worden afgelost. In hetzelfde jaar deden de Britten bovendien een tweede inval in Nederland, de Walcherenexpeditie, die opnieuw werd afgeslagen. Lodewijk Napoleon stelde zich aanvankelijk zelf boven de Franse en Nederlandse troepen, maar werd spoedig vervangen nadat overduidelijk was gebleken dat er in hem geen groot militair strateeg school.

Dit alles, waaronder ook Lodewijks pogingen de Britse handelsboycot te omzeilen, leidde bij Napoléon tot groeiende ergernis. De handelingsvrijheid van de Hollandse koning werd door zijn broer steeds verder beknot. Was in 1807 Oost-Friesland nog bij het koninkrijk gevoegd (zeer tot ongenoegen van de bevolking), in maart 1810 werden Zeeland, Brabant en een deel van Gelderland conform oudere Franse ideeën (zie par. 23) bij het Franse keizerrijk ingelijfd. Het was maar een opmaat voor een totale annexatie, die met het Decreet van Rambouillet (9 juli 1810) zijn beslag kreeg. Op 1 juli daaraan voorafgaand had Lodewijk de handdoek in de ring geworpen en zijn zoontje Napoleon Lodewijk Bonaparte (1804-1831) tot opvolger benoemd, in de hoop daarmee de autonomie van zijn koninkrijk te behouden. Aldus werd deze Lodewijk II nog tussen 1 en 13 juli 1810 onder het regentschap van zijn moeder Hortense de Beauharnais (1783-1837, tevens de vrouw van Lodewijk Napoleon en als zodanig de eerste Nederlandse koningin) koning van Holland.

De annexatie door het Franse keizerrijk betekende een verdere standaardisering van het recht en grotere overheidsinvloed op het dagelijks leven. Lodewijk had al een begin gemaakt met de codificatie van het burgerlijk recht (Wetboek Napoleon, ingerigt voor het Koningrijk Holland) en het strafrecht (Crimineel Wetboek voor het Koningrijk Holland, beiden 1809), maar dit hield nog rekening met de Nederlandse eigenheden. Dat hield op in 1811 toen de Franse wetten onverkort van kracht werden (Code civil of Code Napoléon en Code pénal). Ingrijpend waren ook de invoering in 1810 van de burgerlijke stand en met name de dienstplicht (conscriptie).

Om de staatsschuld te verminderen werd de rente daarop tot één derde teruggebracht (9 juli 1810, de zogenaamde tiërcering), wat met name rijke burgers (voor een groot deel rentenierende ex-kooplieden) en liefdadigheidsorganisaties trof, die een belangrijk deel van hun vermogen in staatsobligaties hadden belegd.

Voor Napoléon begint het tij echter te keren. Frankrijk beheerst een groot deel van Europa, maar om dat in stand te houden is het noodzakelijk om over voldoende troepen te beschikken die het eigenlijke Frankrijk niet zelf leveren kan. Bovendien blijven de in- en externe dreigingen bestaan (in Frankrijk zelf begint de twijfel over Napoléons expansiedrift toe te nemen, waarbij ook niet vergeten mag worden dat een royalistische onderstroom nooit is weggeweest
[ 4 ] ). Voor dit alles was de dienstplicht ingesteld. In Nederland kwamen zo tussen 1810 en 1813 60,000 jongemannen onder de wapenen (iets wat Lodewijk Napoleon nog had willen voorkomen), waarvan een belangrijk deel (14 tot 20,000) werd ingezet bij de Veldtocht naar Rusland (1812), die rampzalig zou verlopen. In plaats van in te gaan op een vredesvoorstel van de geallieerden die verder bloedvergieten wilden voorkomen, hergroepeerde hij met het oogmerk de controle over Duitsland (de Rijnbond, zie par. 23) te behouden. Dit leidde tot de Slag bij Leipzig of de Volkerenslag (16-19 oktober 1813), waarbij 500,000 soldaten betrokken waren en tot dan toe het grootste militaire treffen uit de geschiedenis was (80 tot 110,000 doden).

Van dit alles zijn maar bitter weinig Nederlandse jongens teruggekeerd, zodat er ook maar weinig ooggetuigenverslagen bewaard zijn gebleven. De Volkerenslag is zonder meer de zwarte apotheose van Napoléons machtshonger, die echter zelfs hiermee nog niet gestild was. Met de geallieerde inname van Parijs (31 maart 1814), de troonsafstand van Napoléon (6 april) en zijn verbanning naar Elba leek alles beslecht. Met Lodewijk XVIII (1755-1824), een jongere broer van Lodewijk XVI, was het Ancien Régime van het huis Bourbon hersteld [ 5 ].

Napoléon wist echter van Elba te ontvluchten om nog één poging te doen zijn macht te herstellen (de Honderd Dagen in februari-juni 1815), wat faalde in de Slag bij Waterloo (18 juni) en zijn tweede, definitieve troonsafstand (22 juni) en verbanning naar het afgelegen Sint-Helena.

In Nederland zelf was de “ontzetting” begonnen in 1813 met de Russische inname van Nieuweschans en Winschoten. In hetzelfde jaar richtten Gijsbert Karel van Hogendorp (1762-1834), Frans Adam van der Duyn van Maasdam (1771-1848) en Leopold van Limburg Stirum (1758-1840) het Driemanschap op om de komst van prins Willem Frederik van Oranje en het herstel van de onafhankelijkheid voor te bereiden.

[ 1 ] Inderdaad hebben een aantal van hen zitting genomen in het Staatsbewind van Schimmelpenninck en ook in het kabinet van koning Lodewijk Napoleon.
[ 2 ] Bij de Vrede van Amiens (27 maart 1802), die voor korte tijd een eind maakte aan de vijandelijkheden tussen Frankrijk en Groot-Brittannië (sedert de inwerkingtreding van de Act of Union op 1 januari 1801 het “Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Ierland”) gaf ook de laatste het herstel van het stadhouderlijk gezag in de Nederlanden op.
[ 3 ] De patriotten, die de ideeën van de Verlichtingsfilosofen John Locke (“Second Treatise of Government, 1689), Montesquieu (“De l’esprit des lois”, 1748) en Jean-Jacques Rousseau (“Du contrat social …”, 1762) onderschreven die leidden tot de Verklaring van de Rechten van de Mens en de Burger (“Déclaration des droits de l’homme et du citoyen”, 1789), waren doorgaans ook “abolitionisten”, dat wil zeggen tegenstanders van de slavernij. Vandaar ook de loonbelastingen.
[ 4 ] Het keizerschap van Napoléon zelf telde voor de royalisten niet mee. Zij waren vooral gericht op het herstel van de privileges van de hoge adel en de geestelijkheid en de terugkeer van de Bourbondynastie.
[ 5 ] De “dauphin” (kroonprins), de jonge zoon van Lodewijk XVI, was in 1795 op 10-jarige leeftijd in gevangenschap overleden. Direct ontstonden hardnekkige geruchten dat bij het aangetroffen lijkje sprake was van persoonsverwisseling. Diverse figuren zouden later claimen deze “Lodewijk XVII” te zijn, waarvan de Duitser Karl Wilhelm Naundorff (ca. 1785-1845) de bekendste is. Hoewel hij geen woord Frans sprak, werd hij geloofd door de toenmalige, Nederlandse koning Willem II, die het toeliet dat Naundorff de familienaam Bourbon mocht dragen (wat nog geldt voor zijn nakomelingen) en een koninklijke grafsteen kreeg in het Kalverbos te Delft. Overigens blijft na drie vrij recente dna-onderzoeken de twijfel onder zijn nakomelingen nog altijd gezaaid.

[ Dit is het einde van deel I van “Een Nederlandse geschiedenis”. Deel II gaat vanaf paragraaf 26 voort in een ander document op deze webpagina. ]

Hoongelach over verkiezing lijsttrekker PvdA onterecht

Zowel binnen als buiten de Partij van de Arbeid wordt nogal meesmuilend gedaan over de kandidaatstelling voor het lijsttrekkerschap en de wijze waarop er uiteindelijk een kandidaat zal worden aangewezen. Voor dat laatste heeft het partijbestuur bedacht dat niet alleen de reeds ingeschreven leden, maar ook anderen hierover kunnen meebeslissen. De laatsten kunnen voor twee euro een tijdelijk lidmaatschap verkrijgen en hun stem uitbrengen. De vraag doet zich voor welke beweegredenen meespelen om de zaak zo te organiseren.

[ Graag wil ik hier benadrukken, dat ik dit artikel niet geschreven heb vanuit enige partijpolitieke voorkeur, maar vanuit een breder, meer wetenschappelijk georiënteerd perspectief. ]

Dat er zich donkere wolken boven het sociaaldemocratische paradijs hebben opgestapeld, zal niemand ontgaan zijn. De polls naar kiezersvoorkeuren wijzen op een decimering van de PvdA en ongetwijfeld zal dat één van de beweegredenen van het partijbestuur zijn om met onorthodoxe en creatieve maatregelen de partij weer in de kiezersgunst te doen groeien. Om dit nu af te doen als een gevalletje van “nood breekt wet” is echter te simplistisch. Het is namelijk overduidelijk dat er anders aangekeken moet worden tegen hoe je de kiezersgunst kunt vasthouden. Dat is niet alleen een noodzakelijke opgave voor de PvdA, maar ook voor de andere, “gevestigde” partijen. Veel tekenen wijzen er namelijk op, dat het blijven vertrouwen op aloude structuren geen enkele garantie voor de toekomst geeft. Een vergelijking met de ineenstorting van het V&D-concern dringt zich op. Ik laat hier de vraag onbeantwoord, of de PvdA nu al te laat is met het doorvoeren van hervormingen.

Het verval van de politieke partijen als intermediair tussen bevolking en staat

Het dateert alweer uit de jaren 90 dat wijlen D66-senator mr. Jan Vis (lid Eerste Kamer 1980-2003) de gevestigde, Nederlandse politieke partijen omschreef als “oude olifanten op weg naar hun laatste rustplaats”. Hij zei dat in de jaren waarin het steeds duidelijker werd dat de grondslag waarop onze politieke partijen berusten, namelijk een ideologie, aan het vervagen was en hele groepen kiezers die voorheen trouw aan hun partij waren, nu als een soort “zappers” heen en weer zweefden. Ook de tamelijk dramatische terugloop in het ledental van de gevestigde partijen (overigens niét D66) leek te wijzen op “the road to ruin”. Ik heb het maar eens opgezocht en dat levert de volgende tabel op:

Ledental van de langer bestaande politieke partijen, 1986-2016
____________________________________________________________________________________
CDA       PvdA         VVD           D66          SP           GL             SGP          CU
—————————————————————————————————————————–
2016         50.181   46.045       28.436       25.349     41.710    21.180     29.928     23.398
2006         69.000   61.913       40.157       11.065     44.853    21.383     26.400     24.156
1996         94.412   60.907       52.355       13.230     17.056    11.700     23.865         …       1986       127.849 103.760       84.617         8.300         …            …           21.936         …
____________________________________________________________________________________

De ledenterugloop is dus vooral dramatisch bij de “grote drie”, CDA, PvdA en VVD, die nog steeds (of althans tot voor kort) de gedoodverfde coalitiepartners in de Nederlandse politiek zijn. De geschiedenis van D66 is sinds haar oprichting steeds gekenmerkt door hoge pieken en lage dalen. Misschien is het lot van die partij wel, dat veel kiezers graag als tweede keus op haar gestemd wilden hebben, maar dat dat naar gelang de tijdsomstandigheden toch vaak een brug te ver is. We zien ook, dat SGP (qua ledental dus de vierde partij van het land!) en CU nog stevig geworteld zijn in de traditie van de verzuiling: veel last van zappende kiezers (en leden) hebben zij niet. Hun ideologisch profiel is dan ook nog klip en klaar, wat inmiddels niet meer helemaal gezegd kan worden van de SP, die na een aanvankelijk duidelijk alternatief binnen de sociaaldemocratie door toegenomen “Salonfähigkeit” ook wat fletser is geworden en daarom uit de groei is (het ledental van de SP voor 1986 is niet te geven, omdat de partij daar toen nog geen openheid over gaf). Hoe stabiel GroenLinks zal blijven, is lastig vast te stellen. Ik vermoed dat de partij een beetje in hetzelfde jojo-sfeertje als dat van D66 zit.

Terugkeer van ledengroei voor de gevestigde partijen is onwaarschijnlijk als gekeken wordt naar de gemiddelde leeftijd van de partijleden: voor het CDA is dat 67, PvdA 58, VVD 51 en D66 62. Ik begeef me op politiek terrein als ik zeg dat enkel op grond van deze gegevens geen bestaansrecht aanwezig is voor een partij als 50PLUS (2016: 6.056 leden en dalende ten opzichte van de jaren ervoor). Op grond van de leeftijd van partijleden kent Nederland immers al vier “seniorenpartijen”.

Het “overall” dalende ledental van de politieke partijen (in 2016 is nog maar 2.2 % van de stemgerechtigden lid van een partij) betekent ook dat die partijen steeds meer een beroep moeten doen op staatssubsidies om hun organisatie in stand te houden. In Nederland valt dat overigens nog mee. In 2008 (het zal nu wel wat verhoogd zijn) ontvingen de politieke partijen per lid 69 eurocent subsidie. In Duitsland was dat 6 euro en op IJsland zelfs 11 euro. Ging er in 1986 twee miljoen euro uit de staatsruif naar politieke partijen, in 2011 was dit gestegen tot vijftien miljoen.

“Democratie vereist partijdigheid”: de functie van politieke partijen

Het is niet de vraag of politieke partijen hun langste tijd hebben gehad, maar wel een vraag hoe politieke partijen overleven, komen of gaan in onze snel veranderende tijd. Het is daarom ook zo partijdig om de PvdA te betichten van cosmetische noodgrepen, een verwijt dat uiteraard afkomstig is van partijen die zich momenteel nog geen grote zorgen hoeven te maken of van partijen die met het vastklampen aan oude procedures blind schijnen geworden te zijn voor hun eigen valkuilen.

“Democratie vereist partijdigheid” was de titel van het rapport van de Raad voor het Openbaar Bestuur (2009) onder voorzitterschap van de ex-minister Jos van Kemenade. Het hoofdargument voor de stelling is, dat in een representatieve, parlementaire democratie politieke partijen onontbeerlijk zijn als intermediair tussen de kiezer en de overheid, vooropgesteld dat er sprake is van algemeen kiesrecht. Voor de invoering van het laatste en met het toen bestaande districtenstelsel waren politieke partijen, of de “kiesverenigingen” waaruit zij voortvloeiden, minder essentieel: alleen de gegoede burgerij (degenen die een voldoende bedrag aan belasting betaalden, het zgn. “censuskiesrecht”) mocht stemmen en daarmee bleef het een onderonsje van notabelen. De invoering van het algemeen kiesrecht maakte het noodzakelijk om ook minder geïnformeerde mensen over te halen zich achter een bepaald idee te scharen.

Politieke partijen zijn géén staatsrechtelijke constructies, maar vallen overheersend onder het recht op vereniging en vergadering. Zij zijn ontstaan uit noodzaak: het bereiken van kiezers en het voorkomen van versplintering in de volksvertegenwoordigende organen. Omdat de staatsinrichting sinds de invoering van het algemeen kiesrecht (1917, het recht om als vrouw gekozen te worden sinds 1922) geen grote wijzigingen meer ondergaan heeft, blijft het belang van politieke partijen onverkort bestaan. Hun belangrijkste functies zijn:
1. De articulatiefunctie: het agenderen en vertegenwoordigen van maatschappelijke belangen;
2. De recruteringsfunctie: de selectie van potentiële volksvertegenwoordigers en uitvoerende bestuurders zoals ministers, burgemeesters en wethouders;
3. De mobilisatiefunctie: het uitnodigen van potentiële kiezers om de stembusgang te maken en natuurlijk het liefst hen het juiste vakje rood te kleuren.

Om deze functies naar behoren te vervullen, hebben politieke partijen door de tijd heen steeds andere strategieën gehanteerd. Van meet af aan waren de partijen, organisatorisch zowel als inhoudelijk, nooit statisch geweest maar altijd in beweging. De kritiek van “de gewone man” op het functioneren van de partijen betreft over het algemeen het verwijt, dat een partij op een gegeven moment zich te statisch opstelt of juist te snel verandert. In het eerste geval wordt een partij dan als achterhaald gedoodverfd, in het tweede geval maakt het per saldo niet eens zo veel uit in welke richting een partij verandert: de kiezer herkent zich er niet meer in.

Ruwweg kan in de geschiedenis van de traditionele Nederlandse politieke partijen een ontwikkeling in drie episoden worden waargenomen:
a. het zijn van een kaderpartij, te dateren tussen het einde van de 19e eeuw tot de Eerste Wereldoorlog. Bij een kaderpartij ging het niet om het aantal leden, dat dan ook behoorlijk gering was. Het is een soort top-downbenadering: een klein groepje politiek geëngageerden van gelijke ideologische richting trachtte kiezers, die zij als hun oogstveld beschouwden, te overtuigen om op hen te stemmen.
b. het zijn van een massapartij, te dateren in de jaren na WO I en ergens begin jaren 60 van de 20e eeuw. In deze periode werd het ledental van groot belang en werden ook massabijeenkomsten georganiseerd die heel vaak tienduizenden op de been brachten. Binnen de partijen zelf waren de verhoudingen volstrekt hierarchisch: de “gewone” leden waren niet veel meer dan een applausmachine voor partijleiders, die een betoog hielden dat door een select gezelschap van partijkaders was afgesproken. Ook hier is nog van een top-downbenadering sprake.
c. het zijn van een kiezerspartij of een electoraal-professionele partij, een model dat vooral aan het einde van de 20e eeuw in opkomst is, misschien wel begonnen met D66. In dit model is het belang om lid van de partij te zijn naar de achtergrond geschoven en is de top-downbenadering tot op zekere hoogte ingeruild voor een bottom-upbenadering. Het past hierbinnen, om ook mensen die geen partijlid zijn toch een stem te geven in de koers van de partij.

Merkwaardige paradoxen

De uitdagingen waarvoor zowel oude als nieuwe politieke partijen in onze tijd voor staan, kunnen leiden tot paradoxale ontwikkelingen. Op zich is dat niet vreemd, daar het aangaan van zulke uitdagingen zichzelf nog niet bewezen hebben. Partijkaders (die zijn er altijd) schrikken daarvoor veelvuldig terug: niet alleen hun persoonlijke machtspositie, maar ook het voortbestaan voor de hele partij kan ermee op het spel komen te staan. Daarmee wordt vaak vergeten dat het voortbestaan van een politieke partij geen doel op zichzelf is, maar een middel om bepaalde idealen in leven te houden.

In het model van de eerder genoemde kaderpartij hebben de weinige leden relatief grote invloed op de koers van de partij en op wie als leider naar voren geschoven wordt. Kaderleden zijn behalve klein in aantal, doorgaans ook goed geïnformeerd, zodat de invloed van de partijtop inderdaad door interne partijdemocratie gematigd kan blijven. In het model van de massapartij is gebleken dat maar een klein deel van de leden ook bereid is actief aan besprekingen deel te nemen (ten hoogste 10 % van het totale ledental), zodat ook hier een functionerende controle op het leiderschap plaatsvindt. De functionaliteit van die controle neemt echter af, naarmate de passieve achterban (leden of potentiële kiezers) groter wordt. Het leiderschap krijgt dan argumenten om het middenkader (d.w.z. de actieve leden) te negeren omdat grotere aantallen mensen een standpunt van dat middenkader niet zullen accepteren. Daarmee wordt het belang van een aansprekende partijleider alleen maar groter en beschadigt dat de interne partijdemocratie.

Daarmee komt de legitimiteit van het bestaan van een bepaalde politieke partij op de tocht te staan en daarom wordt er hier en daar gezocht naar middelen om die legitimiteit te behouden, anders is het opheffen en wegwezen. Dat dat niet overal met even veel enthousiasme wordt gedaan, heeft vast te maken met de menselijke aard: het verlies van een hoge positie is nooit fijn en om dat te voorkomen zoeken kortzichtige partijbonzen hun heil in ondersteuning door de happy few, lees: het steeds meer aan invloed inboetende middenkader (de actieve leden) van de partij. Dit past in de theorie van de vroeg 20e eeuwse socioloog Robert Michels: de IJzeren wet van de oligarchie. Van links tot rechts bestaat er de neiging nieuwlichters buiten de discussie te houden. Het levert kokerzicht op en, in veel gevallen, een onvoldoende adaptatie aan nieuwe omstandigheden.

De vage grens tussen constructieve politiek en populisme

Het is niet bij alle partijen bovengronds gekomen, maar het kan niet anders zijn dat zij allemaal denken aan de omvorming in de richting van het model van de kiezerspartij of de electoraal-professionele partij.
Van oudsher zijn onze politieke partijen vooral gebaseerd op het werk van idealistische vrijwilligers, die geen of nauwelijks geld krijgen voor hun inspanningen. Pas als zij een serieuze positie in het openbaar bestuur bemachtigd hebben, dat wil zeggen een uitvoerende functie (ministers, wethouders, burgemeesters), is er van een redelijke vergoeding in de vorm van een salaris sprake. En ook pas dan verkrijgen zij de instrumenten om op grond van goede informatie praktisch beleid te voeren. Daar tegenover staat het mijns inziens nog altijd ondergewaardeerde werk van de echte volksvertegenwoordigers, veredelde vrijwilligers (er staat inderdaad een vergoeding tegenover) die door gebrek aan “ambtelijke” ondersteuning op een grote informatie-achterstand staan tegenover hun uitvoerende collega’s. Dat raakt aan de kern van onze parlementaire democratie en de rechtsstaat die daartoe behoort.
Het mag dan ook geen wonder zijn dat er allerwegen stemmen opgaan op de politiek meer businesslike te organiseren: doen wat nodig is, laten wat overbodig is. Zo ontstonden wat genoemd wordt business like parties, die vooral de organisatie willen professionaliseren (géén goedwillende vrijwilligers meer) en wensen te voldoen aan het adagium van best practices. En dan blijkt, althans zo wordt er in meerderheid over gedacht, dat poppetjes belangrijker zijn dan een inhoudelijk verhaal. In dat opzicht is het verwijt aan de PVV, die geen leden kent, een beetje flauw: de interne democratie van de overige partijen laat namelijk ook enorm veel te wensen over. Geert Wilders is een persoonlijkheid die kennelijk veel mensen aanspreekt. Daarvoor heb je geen partijkader nodig. En het is maar de vraag of dat anders ligt bij de andere partijen. Het democratisch gehalte is niet meer af te meten aan de interne partijdemocratie, het democratisch gehalte is beter af te meten aan het maatschappelijk discours, waarbij naast die partijleden (die er dus in steeds mindere hoeveelheden zijn) ook de stemgerechtigden als een geheel bij betrokken zouden moeten worden.

Tijdens de opkomst van het socialisme, als nieuwe kracht naast de gevestigden, werd het door de laatsten ook afgedaan als “volksmennerij”, lees: populisme. Nu leven wij weer in een tijd dat de politieke lakens moeten worden opgeschud, waarbij ik overigens het volste vertrouwen heb dat de klassieke tegenstellingen tussen rechts en links, of beter: conservatisme en innovatie, gewoonweg universeel zijn en toebehoren aan de onderscheiden persoonlijkheidskenmerken van individuen. Het is maar net in welk nest je bent opgegroeid en – mede daardoor bepaald – met wie je omgang hebt. Al is het honderd jaar later, ook de SGP kent een progressieve vleugel, want anders waren er nu nog geen vrouwelijke partijleden. En dat geldt ook voor “links”, dat zichzelf ook zal moeten herdefiniëren. Niet alleen de rol van politieke partijen staat op het spel, maar ook die van organisaties in het maatschappelijk middenveld, zoals bijvoorbeeld de vakbonden, nu ook rol die arbeid in onze samenleving speelt aan het veranderen is.

En dan is er nog een immer voortschrijdende individualiseringsproces, mede beïnvloed door de vlucht die de sociale media hebben genomen, dat het steeds minder aannemelijk maakt dat mensen zich committeren aan statisch ogende organisaties zoals politieke partijen, vakbonden, zorginstellingen, huisvesters en verzekeraars (de laatste drie zijn door het neoliberalisme sinds de jaren 90 al vakkundig ontoegankelijk gemaakt om er nog van te houden).

Tenslotte

Het idee dat we ons niet meer stabiel hoeven te organiseren, kon ontstaan in een periode waarin het scheen dat onze gegroeide welvaart alleen maar door kon groeien. Sinds 2008, de kredietcrisis, en sinds de overduidelijke verschuiving van de machtscentra in de wereld, die onze kijk op de wereld wel degelijk kan bedreigen, worden we weer met de neus op de feiten gedrukt. De pacificatie die de oude ideologieën jarenlang hebben gewaarborgd, werkt niet meer. Het is daarom de hoogste tijd om om te zien naar nieuwe constructies die de sociale cohesie in stand moeten houden. Het hele idee van “gewoon jezelf kunnen zijn” is een mythe, wij zijn nu eenmaal sociale wezens en dat vereist organisatie, uitgerekend dat wat ons mensen zo dominant heeft gemaakt.

Het is ook daarom, waarom de PvdA mijn zegen heeft met hun experiment, al ga ik er hoogstwaarschijnlijk niet zelf aan meedoen. In plaats van hoongelach zouden de critici van de partij er echter beter aan doen bloedserieus naar zichzelf te kijken en ook eens gaan experimenten met nieuwe vormen en gedachten, in plaats van te blijven steken in vastgeroeste kaders.

Uiteindelijk is het zo, dat onze hele democratie is begonnen met een experiment waarvan niemand destijds wist of het zou werken. Sindsdien is de democratie, in welke vorm dan ook, een doorlopend en niet-eindigend experiment gebleven, een experiment dat – zo kun je na tweehonderd jaar wel zeggen – veel bloedvergieten heeft voorkomen.

Het grootste probleem van de Europese Unie: de verkeerde volgorde van de gang van zaken

Afgelopen zondag was één van de belangrijkste economen en Nobelprijswinnaar Joseph Stiglitz (* 1943) te gast in het televisieprogramma Buitenhof. Het onderwerp was de problematiek waarmee de Europese Unie thans te maken heeft. Kort gezegd is Stigliz’ belangrijkste kritiek op het ontstaan van die problemen de invoering van de euro, voordat er overeenstemming was gevonden voor welke instituties van die Unie hadden moeten worden opgetuigd om een gemeenschappelijke munt in te voeren. Voorts adviseert Stiglitz de EU dringend om alsnog zulke instituties van de grond te brengen en op te houden met het spastische vasthouden aan de gemeenschappelijke munt. Het einde van de euro is niet per se het einde van de Unie, zo’n einde zou zelfs de Unie kunnen versterken.

Ooit is de Europese Unie begonnen als een vorm van vrijhandelszone: het vrije verkeer van goederen en personen. Van lieverlee heeft deze unie taken op zich genomen die voordien voorbehouden waren door nationale overheden. Daarmee heeft de unie steeds meer het karakter van een “statenbond” gekregen, die als een soort paraplu boven de nationale lidstaten is uitgeklapt. In feite is de Europese Unie nu al een soort “superoverheid” die in veel opzichten voldoet aan het karakter van een staat. Het staat buiten kijf dat, wil een staat structureel functioneren, zo’n staat moet beschikken over legitimiteit om de zaken te regelen die onder hem vallen. Anders gezegd: elke staat of alles wat daar op lijkt, dient te beschikken over voldoende draagvlak bij de bevolking, die onder hem ressorteert. Als relatief nieuwe autoriteit beschikt de Europese Unie nog onvoldoende over zulk draagvlak en loopt daarmee het risico een failed state of misschien beter een failed state construction te worden.

Laat ik er geen misverstand over bestaan, dat ik een fervent voorstander van “een” Europese Unie ben, ook indachtig de gedachte dat een verenigd Europa de beste garantie is om nieuw en overvloedig bloedvergieten zoals we dat in de 20e eeuw hebben gekend, te voorkomen.

Het streven naar een verenigd Europa kan niet anders dan gestoeld zijn op een waardengemeenschap, waarden die voortkomen uit de gezamenlijke, Europese geschiedenis en die hebben geleid tot het ontstaan van de democratische rechtsstaten zoals wij die nu nog kennen. Het zijn de waarden die hun wieg vonden in de renaissance (het humanisme in bredere zin) en verder vorm kregen tijdens de Reformatie en de Verlichting. Ook al heeft deze ontwikkeling niet overal even indringend plaatsgevonden, het onderscheidt ons wel van historische ontwikkelingen elders in de wereld en overigens ook die in een deel van ons continent: de streken waar het orthodoxe, christelijke geloof en de bijbehorende mystiek nog altijd van grote invloed is. Niet voor niets sprak de socioloog Max Weber, sprekend over de (westerse) Europese geschiedenis en het proces van modernisering van “die Entzauberung der Welt”, de onttovering van de wereld.

Bij de opbouw en expansie van de Europese Unie was en is het belangrijk, om niet te zeggen: noodzakelijk, de onttoverde Europese waardengemeenschap in het vizier te houden en daarnaast ervoor te zorgen dat elke stap voorwaarts op het juiste moment en de juiste volgorde plaatsvindt, dat om de legitimiteit van de vereniging te waarborgen.

Dit alles is in onvoldoende mate gebeurd. Het had de dure opdracht moeten zijn aan de nationale volksvertegenwoordigingen en hun regeringen, om zo’n ontwikkelingsproces te “verkopen” aan de brede bevolking, zulks om het uitermate noodzakelijke draagvlak voor beslissingen op Europees niveau te creëren. Daarvoor hadden Europese instituties moeten worden opgericht, die ook op dat draagvlak hadden moeten kunnen rekenen. De belangrijkste is wel het Europees Parlement, dat uiteindelijk óók een volksvertegenwoordiging is die meer had moeten zijn – zo is althans de perceptie – als het afvoerputje van overtollig geraakte, nationale politici. En verder gaat het nog om de bevoegdheden van dat parlement, dat had moeten worden beschut tegen de verdenking a lame duck te zijn, wat het overigens minder is dan menigeen denkt.

Misschien zijn de ontwikkelingen van de laatste decennia wel het gevolg van een toen al ontstane gezagscrisis van de nationale parlementen, die bij gebrek aan visie dan maar de vlucht naar voren hebben gemaakt door bevoegdheden af te staan aan een “Brussel”, dat nog verder van de mensen afstaat. Er is voorbijgegaan aan de noodzakelijke voorwaarde van draagvlak en daarmee democratische legitimatie. Gedomineerd door neoliberale sprookjes, die vruchtbare grond vonden na het einde van de Koude Oorlog, is het zogenaamde primaat van de politiek enorm veel geweld aangedaan. In de hoerastemming van de overwinning van het kapitalisme op het communisme kon het gebeuren dat de meeste verantwoordelijken van de unie aan kokerzicht begonnen te lijden en premature besluiten namen die niet de goedkeuring van een belangrijk deel van de Europese bevolking konden wegdragen. De bijna achteloze uitbreiding van de unie, maar misschien nog wel belangrijker: de voortijdige invoering van een gemeenschappelijke munt (de euro dus) zijn zulke besluiten.

Het was natuurlijk bekend dat landen, die tot de unie zijn toegelaten, daar nog helemaal niet klaar voor waren, maar in de overwinningsroes voelde de EU zich zo sterk dat de algemene gedachte was al die problematische varkentjes wel te kunnen wassen. Zo ging het ook met de invoering van de euro, inderdaad een schitterend ideaal, maar bij te vroege invoering een molensteen om ieders nek.

De in de Verenigde Staten begonnen kredietcrisis van 2008 kon, zo zegt Stiglitz, door de eurolanden niet goed worden beteugeld, omdat de monetaire macht inmiddels in handen was komen te liggen bij een centrale autoriteit, de Europese Centrale Bank, waarbij laveren op nationaal niveau praktisch onmogelijk was geworden. En dat met enorme verschillen tussen de deelnemende staten onderling.  In de eerder genoemde juichstemming is er willens en wetens geen rekening gehouden met onbehoorlijk bestuur in bepaalde lidstaten, Griekenland voorop. Het monetaire bezuinigingsbeleid dat het land nu opgedrongen heeft gekregen, is onrechtvaardig omdat het nooit zal lukken op eigen kracht de begrotingstekorten op te lossen zonder daarbij een groot deel van de bevolking af te knijpen en daarmee Griekenland als een self-fulfilling prophesy tot een failed state te maken. In zo’n keurslijf, dat door onze minister en voorzitter van de eurogroep Dijsselbloem mede gevormd wordt, is het zelfs voor een meest hervormingsgezinde Griekse regering, zoals die van Tsipras en voorheen Varoufakis, godsonmogelijk om het eigen volk, de eigen legitimatie, te bedienen. Vreemd genoeg is het, dat zowel Dijsselbloem en Tsipras als rechtgeaarde socialisten veel te veel verwachten van de rol van de staatsmacht, in casu de politiek, om grote processen in goede banen te leiden. Professor Stiglitz bevestigt naar eens wat elke politicoloog of socioloog al lang weet: de politiek en de daaruit voortvloeiende wetgeving loopt altijd achter de feiten aan. Het wordt eens tijd dat economen ook beseffen dat zij geen exacte wetenschap bedrijven, waar – mocht het al zo zijn – alles meet- en voorspelbaar zou zijn.

En dan: de wereld is overduidelijk in transitie. Die transitie vereist omdenken. Om de achterstand van de politiek maar eens te illustreren, politieke partijen zijn in Europa nog gestoeld op achterhaalde ideologieën, of zo men wil percepties die zijn gegroeid in een verleden dat niet meer terugkeert. Dat geldt ook voor de monetaire politiek: Stiglitz ziet – en daarom leg ik me ook eindelijk neer bij het eventueel vallen van de euro – ontwikkelingen die het bestaan van papieren geld tot het verleden doen behoren. Met allerlei app’s kan het inmiddels geen probleem meer zijn om met verschillende, nationale munteenheden (rekeneenheden) te werken. Daarmee is het gemak van de euro onderuit geschoffeld en kan er weer koersverschil ontstaan tussen de lidstaten van de Europese Unie, zolang zij hun gemeenschappelijke en van democratische legitimatie voorziene instituties maar op orde hebben.

Met een aankomende Brexit worden juist die gemeenschappelijke instituties geweld aangedaan, omdat dit bij ongewijzigd en kokerzichtig beleid van de Unie tot een sneeuwbal- of domino-effect kan leiden: de desintegratie van de Unie met het gevaar op nieuwe, gewapende conflicten; volgens Stiglitz niet zozeer een Derde Wereldoorlog die ons allen als een schrikbeeld toeschijnt, maar een reeks van samenvallende, gewapende conflicten die we kennen uit het Midden-Oosten en meer het karakter van een burgeroorlog zullen krijgen. Zo’n burgeroorlog ligt inderdaad in het verschiet, als de Europese Unie er niet in slaagt om haar instituties als de wiedeweerga op orde te brengen.

De transitie die wij thans doormaken, heeft al een politiek gezicht in de groei van populistische partijen, die niet samenbindend zijn maar de verdeeldheid onder de bevolking doen toenemen. Gelet op het historisch hoge welvaartspeil dat wij in Europa kennen – met name Noordwest-Europa – zou er geen behoefte moeten zijn aan de hantering van een op zichzelf legitiem conflictmodel, waarop populisten koersen. Er is nog tijd om in de politiek het harmoniemodel aan te houden, het model dat ons na de Tweede Wereldoorlog misschien niet in alles, maar toch in heel veel een veilig en doorvoed leven heeft geschonken.

Het is eigen aan de menselijke soort dat gevoelens nog wel gelijk gestemd kunnen zijn, maar dat hoe negatieve gevoelens bestreden moeten worden, steeds felle discussies oplevert. Er bestaat vast brede consensus over dat het anders moet. Hoe het dan anders moet, daar bestaan een groot aantal verschillende opvattingen over. Populisten roeren op de trom van dat mensen in de regel niet van verandering houden en het liefst vergane glorie in ere houden. Dat is gevaarlijk, omdat geen enkel individu en geen enkele groepsmacht (dus ook de overheid, het bedrijfsleven of het “maatschappelijk middenveld” waartoe o.a. de vakbonden toe behoren) de perfecte oplossing weet voor de kennelijk autonomen veranderingen die over ons heen komen. Steevast wordt iedereen door de werkelijkheid ingehaald. Wat we kunnen is, om niet in een loopgraaf te belanden waardoor woorden zwijgen en wapenen spreken, een harmoniemodel te vinden dat in ieder geval de scherpe kantjes van de (autonome) veranderingsprocessen afslijpt.

Om de legitimiteit van de Unie, maar ook die van overheden van lagere rang (nationale, regionale en gemeentelijke) te behouden, is het noodzakelijk om billijk beleid te voeren, wat in het Engels “equity” wordt genoemd. Dat betekent dat de verschillen tussen arm en rijk niet verder mogen groeien en al helemaal niet als die kloof niet kan worden overbrugd door een stepping stone, die doorgaans wordt vertegenwoordigd door een zich veilig voelende middenklasse. Maatregelen die de middenklasse dusdanig treffen dat die middenklasse het gevoel van billijkheid verliest, moeten onmiddellijk worden teruggedraaid. Dat geldt bijvoorbeeld voor de bonussen die bankemployés krijgen, die – terecht of onterecht – als onrechtvaardig worden gezien. Herman Wijffels, die naast andere zaken ook ervaring met het bankwezen heeft, zei in diezelfde, eerder aangehaalde uitzending van Buitenhof, dat bonussen wel mogen, maar pas dan als is gebleken dat een topman van een bank de boedel ook financieel gezond heeft achtergelaten, niét eerder. Ik denk dat het waar is dat zo’n bonus alsdan wél wordt geaccepteerd door brede lagen van de bevolking.

De wereld is in transitie en die transitie betreft de sleetsheid van oude denkpatronen, waarvoor nieuwe in de plaats moeten komen. Niet onbelangrijk is, dat het inmiddels wel duidelijk is dat ook het natuurkundige klimaat aan het veranderen is en dat het vertrouwen op fossiele brandstoffen zijn langste tijd gehad heeft. Het is heel pijnlijk voor de werknemers in die sector, maar welbeschouwd zijn verloren gegane ambachten niet voor niets oude ambachten die grootschalig nooit meer zullen weerkeren. We moeten omschakelen op een duurzame economie, waarin zoiets als de rol van geld misschien (we weten het niet zeker) wordt teruggedrongen en wat mij betreft zeker het doorgeschoten individueel materialisme. 

De digitale revolutie is een andere en daarom is het begrijpelijk dat de ING-bank in België zijn nog altijd in elk dorp van enige omvang te vinden filialen wil sluiten, ten koste van de bestaande werkgelegenheid. Ik begrijp de emoties, maar het is niet vol te houden om een stoker naast de machinist van een elektrische locomotief te handhaven, wat onder andere de eis van de Britse vakbeweging was toen Thatcher haar hervormingsprogramma met harde hand door het parlement heen kreeg. Uiteraard ben ik geen fan van Thatcher, maar soms heb je radicale figuren nodig om de boel in de noodzakelijke richting van vernieuwing te loodsen.

Tenslotte: er moet out of the box gedacht gaan worden. Waar het de klimaatsverandering betreft, is het opmerkelijk dat drastische maatregelen om daaraan het hoofd te bieden, eerder komen uit het bedrijfsleven dan vanuit de overheid, hoewel er natuurlijk wel een mijlpaal is gezet bij het akkoord van Parijs in 2015 en de daaropvolgende ratificaties door de VS en China en laatstelijk door de EU, die eindelijk weer eens eenheid uitstraalde. Maar dat is eerder faciliterend dan richtinggevend. Hoewel ik geloof dat het een groteske zelfoverschatting is dat de mens in staat zou zijn zichzelf uit te roeien, kan het wel zo zijn – helemaal conform de evolutietheorie – dat in de uitdagingen waar wij allen deelachtig aan zijn, alleen de fittest zullen overleven. En fit betekent niet spierballen (zoals Poetin), maar wijsheid.

Dwangopname in de psychiatrie: een groeiend probleem

In 2015 zijn in Nederland 6,516 mensen gedwongen opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis. Dit is praktisch een verdubbeling van het aantal gedwongen opnames in 2002 (NOS 2016). De stijging wordt mede toegeschreven aan het gat dat bestaat tussen een gebrek aan ambulante geestelijke gezondheidszorg en het “ultimum remedium”, de gedwongen opname. Om dit gat te dichten is in 2013 een eerste concept voor de nieuwe Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) aan de Tweede Kamer voorgelegd, die de huidige “Wet Bopz” moet vervangen.

* Een moeizame voorgeschiedenis

De eerste stap in overheidsbemoeienis met de geestelijke volksgezondheid werd in 1818 gezet met het “Menschlievend Besluit” door koning Willem I. Hierin werd voor het eerst verwoord dat het doel van opsluiting van “krankzinnigen” in de particuliere dol- en gasthuizen moest zijn de genezing van de patiënt en dus niet alleen de bescherming van de maatschappij. Door het ontbreken van voldoende kennis op dit terrein en ook het gebrek aan gespecialiseerde artsen bleef het besluit ondanks de goede intentie vooralsnog een dode letter. Een uitzondering daarop vormde het initiatief van de zenuwarts prof.dr. J.L.C. Schroeder van der Kolk (1797-1862), die het dolhuis van Utrecht in 1827 omvormde tot een geneeskundig instituut.

 

 

In 1841 kwam de eerste alomvattende Krankzinnigenwet tot stand. Hierin bleef de bescherming van de maatschappij centraal staan en niet de belangen van de patiënt. Zijn “genezing” had vooral betrekking op het wegnemen van onaangepast gedrag. Dat bleef zo bij de invoering van de tweede Krankzinnigenwet, de “Wet tot regeling van het Staatstoezicht op Krankzinnigen en Krankzinnigengestichten” (1884). Een verbetering ten opzichte van de eerste wet was wel, dat dwangtoepassing op krankzinnigen (en zwakzinnigen, het onderscheid ertussen werd nog niet gemaakt) voor zover mogelijk diende te worden beperkt. Door het ontbreken van sedatieve medicatie bleef de dwangtoepassing echter nog schering en inslag. Het adagium van “rust, reinheid, regelmaat” kon deze lacune maar gedeeltelijk dichten.

De Krankzinnigenwet van 1884 was gebaseerd op het “bestwilcriterium”: opname van een patiënt zou zijn om hem te beschermen tegen de maatschappij en de maatschappij tegen hem. Een verzoek tot opname kon geschieden door familie en (lokale) overheden, waarna een rechter besliste of zo’n opname gewettigd was. Al snel kwam hierop kritiek die vooral de al dan niet vermeende willekeur bij verzoeken tot dwangopname betrof. Een poging tot wetswijziging in 1906 strandde echter in de Tweede Kamer en het zou vanaf dan duren tot 1948 vooraleer er politiek draagvlak ontstond voor een wetswijziging. Daartoe werd de Reorganisatiecommissie voor de Geestelijke Volksgezondheid ingesteld, die in 1956 met het advies kwam voor een algehele wetsherziening.

Alweer gingen er jaren overheen totdat in 1971 een ontwerp van wet aan de Tweede Kamer werd voorgelegd: de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (Bopz). De behandeling van de ontwerpwet verloopt traag en stroperig, omdat juist in die periode de inzichten over de psychiatrie op turbulente wijze aan verandering onderhevig zijn. Aldus duurt het tot 1994 vooraleer de Bopz in werking treedt en de Krankzinnigenwet van 1884 eindelijk tot het verleden behoort.

In de Bopz is het bestwilcriterium uit de oude Krankzinnigenwet vervangen door het “gevaarscriterium”: een persoon dient op grond van een psychiatrische stoornis een gevaar voor zichzelf of dat voor zijn omgeving te zijn alvorens een verzoek tot dwangopname kan worden gedaan. Het verzoek wordt in eerste instantie getoetst door een onafhankelijke psychiater die vervolgens zijn bevinding voorlegt aan de burgemeester van de gemeente, waarbinnen de betrokken persoon verblijft. Deze kan tot “inbewaringstelling” (IBS) bevelen, die vervolgens binnen drie werkdagen door middel van een “voorlopige machtiging” (in het alledaagse taalgebruik wordt dit “rechterlijke machtiging”, RM, genoemd) de inbewaringstelling kan verlengen. De tussenkomst van een burgemeester is een unieke, Nederlandse procedure die kennelijk nog is ingegeven vanuit het maatschappelijk belang: de burgemeester gaat over de openbare orde en veiligheid. In de praktijk tekenen burgemeesters (of daartoe in toerbeurt aangewezen wethouders) een verzoek tot inbewaringstelling door de psychiater blindelings, hij mist immers doorgaans de expertise om er zijn eigen oordeel over te vellen. In het verleden (en misschien hier en daar nog) gebeurde het zelfs dat al blanco formulieren van een handtekening van de burgemeester waren voorzien en de zaak dus werd omgedraaid: de psychiater hoefde alleen maar in te vullen.

Ook nu ontstond al direct weerstand tegen de Bopz. Die kwam vooral uit kringen rond psychiatrische patiënten, met name de familie. In de eerste jaren na de inwerkingtreding van de Bopz bleken rechters nogal zuinig te zijn met het uitspreken van een voorwaardelijke machtiging of, na verstrijking van de beperkte geldigheidstermijn van die machtiging, een verlenging daarvan (dat is de RM in juridische zin). Velen meenden hun naaste te zien teloorgaan. Het mag geen verwondering wekken dat de overgrote meerderheid van lastgeving tot IBS en RM plaatsvindt bij psychotische personen, die alsdan een “gebrek aan ziekte-inzicht” vertoont en daarom ook meestal niet voor vrijwillige behandeling vatbaar is. Vanaf 2002 loopt dan ook een parlementaire discussie die opnieuw moet leiden tot aanpassing van de wet, die ook nu niet bepaald tot snelle besluitvorming leidt. In 2013 kwam dan eindelijk een eerste concept voor een nieuwe wet op de tafels van de Tweede Kamer, de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz), dat nog steeds in behandeling is.

* De Wvggz: beteugeling van de toename van dwangopname

Er zijn een aantal vermoedelijke redenen waarom uiteindelijk ook onder de Bopz het aantal gedwongen opnames tussen 2002 en 2015 is verdubbeld (Broer et al., 2015). Door gebrekkige en vooral gefragmenteerde registratie is het vrijwel onmogelijk om wetenschappelijk gevalideerde uitspraken te doen over de oorzaken van de toename van dwangtoepassing:
– Het aandeel jongvolwassenen in de totale bevolking is tussen 1970 en 1990 toegenomen van 14 tot 34 %. Veel psychiatrische stoornissen openbaren zich in deze leeftijdsfase en het vermoeden bestaat dat onderbehandeling of te late diagnosestelling, waardoor de ziekte zich verdiept, voor een naijleffect heeft gezorgd in de jaren na 2002.
– Tussen 1995 en 2007 is het aantal klinische opnamedagen, dus de duur van een dwangopname, met 40 % gedaald, wat kan leiden tot ontslag voordat de ziektesymptomen afdoende zijn behandeld.
– Een toename van het aantal ambulante contacten leidt mogelijkerwijs tot een groter aantal verzoeken tot dwangopname. Het aantal ambulante contacten is toegenomen, omdat de Bopz sinds 2003 ook de mogelijkheid van verplichte, ambulante behandeling kent onder de titel “voorwaardelijke machtiging” en “machtiging op eigen verzoek”. Beiden zijn uitgerekend bedoeld om een directe dwangopname te vermijden, maar in de praktijk blijkt dit niet te werken (Burns, 2013).
– Verstedelijking en de daarmee verbonden sociale isolatie en anonimiteit spelen hoogstwaarschijnlijk een rol in de groei van het aantal dwangopnames.
– De gescheiden circuits van de algemene ggz en de verslavingszorg groeien steeds meer naar elkaar toe, zodat comorbiditeit (een verslavingsprobleem en een geestesstoornis verenigd in één persoon) eerder leidt tot dwangopname. Daar worden overigens hoopvolle resultaten mee behaald sinds de opening van de Kliniek Duurzaam Verblijf te Beilen in 2007, in het bijzonder bedoeld voor “zorgwekkende zorgmijders” uit de steden Amsterdam, Rotterdam en Groningen.
– Ook de groei van een cultuur van risicovermijding kan een oorzaak van de toename zijn: het accent verschuift steeds meer van de persoonlijke vrijheid naar de algemene veiligheid.
– Er is meer maatschappelijke druk op artsen om een geneeskundige verklaring omtrent dwangopname uit te schrijven.

Een dwangopname is in de meeste gevallen een uiterst ingrijpende maatregel voor de betrokken persoon. Het gaat immers om vrijheidsbeneming en dat vaak in een periode, waarin de betrokkene niet het idee heeft dat die vrijheidsbeneming gerechtvaardigd is (Van de Klippe, 1997). Voorts is het zo, dat dwangopname op grond van de Bopz niet automatisch leidt tot behandeling van de stoornis in de kliniek. Voor die behandeling moet de patiënt instemmen (informed consent). Als die uitblijft, wordt er ook niet behandeld, tenzij binnen de kliniek opnieuw aan het gevaarscriterium van de Bopz wordt voldaan. Er kan dan dwangbehandeling volgen die opnieuw ingrijpende en extra traumatische gevolgen voor de patiënt kan hebben. Dit speelt waarschijnlijk ook een rol in het gegeven, dat als psychotische symptomen niet adequaat worden behandeld, de kans op terugkeer van zo’n psychotische episode sterk wordt vergroot en dat ook de frequentie van zulke episodes toeneemt. Bovendien is er een groot risico dat de psychose bij elke terugkeer ernstiger wordt.
Nog een ander probleem is, dat de toename van dwangopname bedden bezet houdt die anders gebruikt hadden kunnen worden voor vrijwillige opname. De laatste komt daardoor in de verdrukking, wat dan alsnog kan leiden tot een dwangopname die anderszins had kunnen worden voorkomen.
De negatieve gevolgen van een dwangopname leiden ertoe dat de roep om het vermijden ervan althans onder deskundigen luid is.

De nieuwe Wvggz wil aan die roep gehoor geven door:
– het versterken van de rechtspositie van de cliënt/patiënt, die ondanks het bestaan van de eis van informed consent toch vaak in een machteloze positie verkeert. De toename van het aantal dwangopnames wordt onder andere toegeschreven aan voorafgaande onderbehandeling of te late diagnosestelling, waar het wellicht nog mogelijk was met de patiënt tot andere oplossingen te komen dan een dwangopname. Een rechter die daarvoor een machtiging uitspreekt, zal gelet op de meestal ernstige toestand waarin de patiënt zich dan verkeert, de weegschaal doen doorslaan ten voordele van het advies van artsen en verpleegkundigen die, om hun advies te onderbouwen, de neiging hebben de zaak aan te dikken (dit kan ik uit ervaring zeggen: ik ben eens bij zo’n zaak aanwezig geweest, overigens op verzoek van de patiënt).
– “getrapte zorg” door tijdige signalering van de problematiek, waarbij ook het sociale netwerk rond de patiënt wordt ingeschakeld.
– het meer gebruikmaken van “drang” in plaats van “dwang”. Dwang is een “ultimum remedium” en moet waar mogelijk vermeden worden. Drang kan effectief zijn en dwang overbodig maken als inderdaad sprake is van tijdige signalering en inschakeling van het sociaal netwerk.
– verbetering van de kwaliteit van de zorg door meer rekening te houden met de wensen van de patiënt. Hoewel dat nog niet bij iedereen in de ggz, maar ook in de somatische gezondheidszorg is doorgedrongen, is de kans op een succesvolle behandeling het grootst als er vertrouwen tussen patiënt en behandelaar bestaat en dat er een behandelplan wordt overeengekomen waarin een concreet doel is benoemd dat binnen een overzichtelijke en haalbare termijn kan worden bereikt.
– het opstellen, in het verlengde van het voorgaande, van structurele behandelplannen die duidelijkheid voor de patiënt verschaffen en ook een “kop en een staart” moeten hebben.
– het creëren van maatschappelijke randvoorwaarden zoals huisvesting, werk en/of inkomen en sociale participatie teneinde isolement te voorkomen. Voldoen aan die voorwaarden vergemakkelijkt het bieden van ambulante zorg en zou dwangopname kunnen vermijden.

* Kritiek op de Wvggz

Hiermee wordt het gevaarscriterium van de Bopz enigszins verzacht tot een criterium van “risico op ernstige schade”. De Wvggz voorziet daarvoor in de totstandkoming van “crisissignaleringsplannen”, maar ook daar bestaat discussie over. Het is maar net hoe die plannen vorm en inhoud krijgen en of daarvoor wel het nodige budget wordt uitgetrokken. Onderzoek in Nederland, het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten geven een wisselend beeld van welk effect zulke plannen hebben op het voorkomen van dwangopname. Een rol speelt de continuïteit in de uitvoering van zulke plannen, waarbij niet alleen de structurele monitoring belangrijk is, maar ook het vermijden van steeds wisselende behandelaars in een en hetzelfde dossier (Burns et al., 2013). Cruciaal voor het succes van crisissignaleringsplannen is ook de mate waarin een patiënt trouw is in het volgen van een bepaalde therapie: afspraken nakomen, medicijnen volgens voorschrift slikken en dergelijke.

Broer et al. (2015) menen dat de inzichtelijkheid en effectiviteit van de Wvggz kan worden getoetst als voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
– Wanneer er sprake is van dwangtoepassing, dan moeten de motieven en omstandigheden daarvoor op individueel niveau bekend zijn. Deze kunnen zijn de leeftijd van de patiënt, de regio waarbinnen zich alles afspeelt, de registratie van de belangrijkste ziekten die een rol spelen, het type gevaar dat is geconstateerd en de vermelding of het gaat om een eerste opname dan wel of er andere (dwang)opnames aan voorafgegaan zijn.
– De kenmerken van de patiënt moeten afdoende beschreven zijn, alsook de duur van de dwangopname.
– Er moet een trendanalyse over langere termijn bijgehouden worden betreffende het aantal dwangopnames.
– Er moet toetsing plaatsvinden van de effectiviteit van voorafgaande interventies om dwangopname te voorkomen.
– Er dient ook geregistreerd te worden in welke gevallen niét is overgegaan tot dwangopname of -behandeling. Indien wel, zijn er dan alternatieven overwogen en zo ja, welke?

* Slotbeschouwing

Het ligt niet in de verwachting dat er ooit een panacee gevonden zal worden voor de omgang met en de behandeling van mensen met een psychiatrische stoornis. Reden daarvoor is dat de perceptie van “disfunctioneel gedrag” steeds aan verandering onderhevig is en dat de oplossingsrichtingen steeds gelardeerd zijn met ideologische opvattingen. Het is al winst dat de circuits van de algemene ggz en die van de verslavingszorg steeds meer samenvloeien, maar dat de vage grens tussen overlast gevend gedrag ten gevolge van een stoornis en dat ten gevolge van criminaliteit nog veel te vaak als een starre scheidslijn wordt gezien. Het overgrote deel van de gevangenisbevolking bestaat uit gedetineerden die psychiatrisch gediagnosticeerd zijn of bij wie het sterke vermoeden bestaat dat zij voldoen aan de criteria van een psychiatrische stoornis. Hieromheen bestaat ook weer het van de overige ggz gescheiden circuit van de forensische verslaving- en ggz-zorg. Het speelt hier mee, dat een strafrechtelijke aanpak van ongewenst gedrag kan interveniëren met een adequate medische zorg. Is dwangopname en -behandeling binnen de psychiatrie al een “ultimum remedium”, het beroep doen op het strafrecht is dat helemaal. Het beste zou ook hier zijn als bijvoorbeeld door mediation tussen dader en slachtoffer een groter beroep wordt gedaan op het zelfoplossend vermogen van de samenleving in plaats van een directe gang naar de strafrechter.
Aan de behandeling van ernstige psychiatrische stoornissen kleven grote ethische dilemma’s: wanneer is iemand geheel of deels verantwoordelijk voor zijn eigen gedrag, tot op welke hoogte en door wie mag drang en dwang worden toegepast ten koste van het zelfbeschikkingsrecht en de individuele vrijheden, en – last but not least – wanneer is er überhaupt sprake van “ongewenst gedrag”?
Tenslotte is er nog het toenemende probleem van de bereikbaarheid van onze ggz voor mensen die afkomstig zijn uit andere culturen (Braakman, 2016). De zogeheten transculturele psychologie en psychiatrie staat in Nederland wat betreft de praktijk nog in de kinderschoenen. In sommige kringen bestaat nog een levensgroot taboe op geestesstoornissen die soms zelfs nog worden toegeschreven aan boze geesten (zoals het Marokkaanse “djinn”, het boze oog). Als men zich desondanks bij de arts meldt (vrijwel altijd de huisarts), kan de laatste volstrekt op het verkeerde been gezet worden omdat de klachten anders verwoord worden en vaak niet direct wijzen op een psychiatrische stoornis.

Er is nog een hele wereld te winnen.

* LITERATUUR

Braakman, M.H. Posttraumatic stress disorder with secondary psychotic features. A diagnostic validity study among refugees in the Netherlands. Nijmegen, Radboud University 2013.
Broer, J.; H. Koetsier & C.L. Mulder. Stijgende trend in dwangtoepassing onder de Wet Bopz zet door; implicaties voor de nieuwe Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg. In: Tijdschrift voor Psychiatrie, 57 (2015) 4.
Burns, T.; Rugkasa, J.; Molodynski, A.; Dawson, J.; Yeeles, K.; Vazquez-Montes, M. et al. Community treatment orders for patients with psychosis (OCTET): a randomised controlled trial. In: The Lancet, 2013, 381: pp. 1627-1633.
Klippe, Hanneke van deDwangtoepassing na onvrijwillige psychiatrische opname. Een juridische beschouwing. Nijmegen, Ars Aequi Libri 1997.
NOS Nieuwsuur. Reportage met dr. Niels Mulder, 29 augustus 2016.

 

 

 

 

 

De redelijkheid van verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd

OF: DE NOODZAAK TOT STELSELHERZIENING IN INKOMENSBELEID EN SOCIALE ZEKERHEID

Op mijn Facebookpagina heb ik op 26 augustus 2016 gesproken over de sociale en economische positie van de generatie van de zogeheten Late Babyboomers, beter bekend als “de Verloren Generatie” (Becker, 1997). Dit zijn de mensen die zijn geboren tussen circa 1955 en 1970. De sociale en economische positie van deze generatie wordt gekenmerkt door een verminderd profijt van de zegeningen van de verzorgingsstaat ten opzichte van de generaties van mensen die tussen ongeveer 1910 en 1954 zijn geboren, achtereenvolgens aangeduid als “de Vooroorlogse Generatie” (1910-1929), “de Stille Generatie” (1930-1945) en “de Vroege Babyboomers” ofwel “de Protestgeneratie” (1946-1954).

* Naoorlogse demografische ontwikkelingen

Direct na de Tweede Wereldoorlog vond een geboortegolf plaats die voortduurde tot ongeveer 1970. Twee oorzaken van deze “babyboom” zijn 1. de economische crisis van de jaren 30 en de daaropvolgende oorlog, die de kinderwens deden afnemen of uitstellen; 2. het naoorlogse optimisme (“een nieuw begin”) dat ook in het overheidsbeleid tot uitdrukking kwam met de wederopbouw en de totstandkoming van de verzorgingsstaat. Deze magie raakte omstreeks 1970 uitgewerkt, mede omdat met de zware nadruk op materiële verworvenheden een gelijke tred houdende ontwikkeling van immateriële waarden werd verwaarloosd. Hierdoor ontstond een “culturele revolutie” (1968 en daarna), die na het uitbreken van de oliecrisis in 1973 werd gevolgd door een eerste economische recessie na de oorlog, die aanhield tot ongeveer 1985. Bovendien neemt het kindertal universeel af naarmate een samenleving meer waarborg kan bieden tegen armoedeval en voor een acceptabele oudedagsvoorziening. Sindsdien is de “repliceerbaarheid” van de Nederlandse bevolking vooral te danken aan de instroom van migranten, daar het gemiddelde kindertal van de Nederlandse vrouw deze repliceerbaarheid niet meer garandeert: in 2014 was dat kindertal 1,71, terwijl een getal boven de 2,0 daarvoor benodigd is.
De daling van het geboortecijfer (de zgn. “babybust”) en de verhoogde levensverwachting, die altijd verband houdt met welvaartsstijging, veroorzaakt bovendien vergrijzing van de bevolking en het daarmee verbonden extra beslag op de sociale voorzieningen en de gezondheidszorg.

Leeftijdsopbouw Nederland

Figuur 1. Leeftijdsopbouw Nederland 2015 (bron: CBS). De Babyboom komt hier goed naar voren. De verwachting is dat dit patroon zich nog tot 2050 zal blijven voordoen.

* De verzorgingsstaat: “intergenerationele solidariteit”

De verzorgingsstaat zoals die vanaf midden jaren vijftig in Nederland is opgebouwd, rust op het principe van de “intergenerationele solidariteit”. De kosten die met de verzorgingsstaat gemoeid zijn, worden voor een belangrijk deel niet opgebracht door degenen die ervan profiteren. De huishoudelijke afdrachten ten behoeve van de sociale zekerheid en de gezondheidszorg worden “omgeslagen” naar de algehele bevolking en van daaruit bestemd voor degenen die een beroep op die zekerheid en zorg doen. Zo heeft de eerste generatie ouderen AOW ontvangen, waarvoor zij zelf niets of maar weinig hebben betaald [degenen die geboren zijn in 1930 hebben voor elke aan de AOW afgedragen gulden een bedrag van 1,91 gulden teruggekregen (Nelissen, 1993)]. En ook nu betaalt de actieve beroepsbevolking geen premies voor zichzelf, maar voor de generatie vóór hen. Hun eigen oudedagsvoorziening wordt betaald door de generatie ná hen.
Ik moet hierbij opmerken, dat het begrip “generatie” in de sociologie een andere, meer op sociale, culturele en economische overeenkomsten gebaseerde betekenis heeft dan de meer alledaagse betekenis, die meer is gegrondvest op de biologische en meer in de tijd constante gegevenheden van de opeenvolging van leeftijdsgroepen (zeg: steeds om de twintig jaar). In de sociologie en de demografie duidt men “biologische” generaties aan met de term “cohorten”.

* De verzorgingsstaat en de intergenerationele solidariteit onder druk

Er zijn verschillende oorzaken die het voortbestaan van de verzorgingsstaat en zijn financieringssystematiek van intergenerationele solidariteit onder druk zetten. Eén ervan is de eerder besproken demografische ontwikkeling: van babyboom naar babybust. Na deze omslag moeten minder mensen voor meer anderen de verzorgingsstaat op peil houden. Van Kempen (1996) verwoordt dat zo:

“Hoewel de generatiebalans voor de oudere generaties positief is, geldt dat slechts bij de gratie van het feit dat de jongere generaties, in weerwil van hun eigen positie, de daarvoor benodigde lasten zullen blijven opbrengen. Er ontstaat een toenemende druk op de intergenerationele solidariteit.”

Deze druk wordt veroorzaakt, aldus Van Kempen, door de sterk stijgende belasting- en premiedruk ter financiering van de toenemende lasten van de demografische ontwikkelingen. Hij becijferde dat degenen die geboren zijn in 1960 nog een positief saldo vanwege die solidariteit van 70,000 gulden overhouden, gemeten over hun hele leven. Voor hen, geboren in 1980, is dat al geslonken tot 20,000 gulden en voor hen, geboren in 1990, is het saldo al negatief. Hij voorspelde dat het negatieve saldo voor degenen die in 2000 worden geboren reeds 30,000 gulden zal bedragen. Het kantelpunt tussen een batig en nadelig saldo ligt ergens tussen 1985 en 1990.

Het komt erop neer, dat de Verloren Generatie (1955-1970) aanvankelijk nog wel profiteert van de intergenerationele solidariteit, maar daar met het vorderen der jaren niet meer op hoeft te rekenen. Slechter is nog het toekomstperspectief voor de generatie na hen, de zogeheten Pragmatische Generatie (1971-1981).

Bij een gelijkblijvende demografische ontwikkeling was het in 1996 de verwachting dat de overheidsfinanciën bij gelijkblijvend beleid en zonder noemenswaardige tegenvallers zich tot het jaar 2020 gunstig zouden blijven ontwikkelen, dat wil zeggen zonder een problematische verhoging van de staatsschuld. Na 2020 zou dat all other things being equal niet meer mogelijk zijn en een drastische kostenstijging voor het onderhoud van de verzorgingsstaat optreden.

In deze uit 1996 stammende prognose waren al een aantal voorzienbare mee- en tegenvallers meegenomen. De meevallers waren de aankomende pensionering van de babyboomers, die daarna hun inkomsten voor een groter deel uit particuliere fondsen gaan genereren (de pensioenfondsen dus). Daardoor en door een toenemende participatie van vrouwen op de arbeidsmarkt stijgen de belastingopbrengsten. Maar er zijn ook tegenvallers, die deze baten geheel kunnen tenietdoen of erger nog: overvleugelen. Toen reeds werd een afname van de aardgasbaten voorzien en rekening gehouden met een nieuwe economische recessie.

Inmiddels weten we, dat die tegenvallers zich in hevige mate hebben voorgedaan: de gevolgen van de aardgaswinning in Groningen waardoor de kraan eerder en steviger moest worden dichtgedraaid en de kredietcrisis van 2008 en de daaropvolgende jaren.

* Recente overheidsingrepen: participatiemaatschappij en verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd

In de Troonrede van 2013 heeft de regering de bevolking willen rijp maken voor een ingrijpende stelselherziening, waarbij een deel van de intergenerationele solidariteit op de schop gaat. Kort gezegd luidde het dat de verzorgingsstaat gaandeweg zal gaan veranderen in een “participatiesamenleving”. Daarop is uiteraard veel kritiek gekomen, al was het alleen maar omdat mensen niet houden van verandering en al helemaal niet van het opnemen van extra verantwoordelijkheid die voordien door “Vadertje Staat” geregeld werd. Een deel van de kritiek is terecht, omdat de regering geen nauwsluitende definitie heeft gegeven over wat nu moet worden verstaan onder een participatiesamenleving. Welbeschouwd was zij daartoe ook helemaal niet in staat. Eerder was het een oproep aan de “sociale partners” en het “maatschappelijk middenveld” om samen met de overheid tot zo’n definiëring te komen. In die zin is de aankondiging van een structuurwijziging van de samenleving te billijken, mede op grond van de hier eerder beschreven prognoses en met name die van de onhoudbaarheid van de huidige vorm van intergenerationele solidariteit. In een participatiesamenleving zijn nog altijd modellen denkbaar die een zekere mate van maatschappelijke solidariteit in stand houden, naast inderdaad ook gevreesde modellen die uitgaan van de geneugten van marktwerking. Zo zal de lopende discussie toch weer langs de onvermijdelijke ideologische scheidslijnen gevoerd blijven worden. Het is daarbij echter wel zo, dat nietsdoen geen optie is.

Een andere, concreet doorgevoerde maar nog niet onomstreden maatregel van de regering is de verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd, in fasen naar 67 jaar. De achtergronden hiervan zijn de vergrijzing, structurele veranderingen op de arbeidsmarkt en de uitputting van de pensioenfondsen.

Ten aanzien van de vergrijzing kan worden opgemerkt dat door de verhoogde levensverwachting en de naijleffecten van de babyboom de uitkering van pensioenen zowel in de breedte (meer ouderen) als in de lengte (langere duur) zal blijven stijgen. Hierdoor komt de balans tussen de kosten en de baten van de gehele sociale zekerheid onder druk te staan. Het Centraal Planbureau (CPB) berekent de kosten aan de hand van ontvangsten aan inkomsten- en vermogensbelasting, premies sociale zekerheid en BTW. De baten voor de consument zijn de genoten gezondheidszorg, maatschappelijke dienstverlening, sociale zekerheidsuitkeringen en overige rijksuitgaven die ten goede aan de bevolking komen. Becijfering van het saldo op de balans is, wil men de effectiviteit van overheidsbeleid door te tijd heen kunnen vergelijken, alleen mogelijk als uitgegaan van een aantal constanten: ongewijzigd overheidsbeleid, een vaste inkomensverdeling per leeftijdsgroep, de koppeling van de uit te betalen uitkeringen aan de contractlonen en het blijven voldoen aan de monetaire en staatshuishoudelijke normen van de Europese munt, de euro dus (die op papier al voor 2002 bestond onder de naam ECU, European Currency Unit). Het mag duidelijk zijn dat op grond van dit model een toenemende onbalans werd geconstateerd wanneer het regeringsbeleid niet zou wijzigen.

De structurele wijzigingen op de arbeidsmarkt betreffen de gevolgen van de voortschrijdende automatisering en digitalisering, die een werknemer min of meer dwingen zich voortdurend te laten bij-, na- of omscholen. De kosten daarvan komen voor een belangrijk deel op het bordje van werkgevers terecht, die om die reden liever van personeel gebruik maken dat is gepokt en gemazeld in de nieuwste technologie. Dat houdt in dat men liever kortdurende arbeidscontracten afsluit dan zulke voor onbepaalde tijd en dat oudgedienden, die ofwel zelf de flexibiliteit om bij, na of om te scholen missen, ofwel te duur worden door de financiering van zulke scholing, een verhoogd risico lopen op ontslag. Hieruit vloeit onvermijdelijk een zekere mate van leeftijddiscriminatie voort omdat onder werkgevers niet alleen een meer feitelijke ongeschiktheid en disproportioneel loonbeslag van oudere werknemers wordt ervaren, maar ook omdat er een zekere stereotypering van oudere werknemers is ontstaan: “zij zullen het wel niet kunnen”.
De steeds minder wordende beschikbaarheid van levensloopbestendige en financieel stabiele banen hebben ook hun effecten op andere sectoren van de samenleving. Door hun onzekere inkomenspositie komen “starters” op de woningmarkt bijvoorbeeld steeds moeilijker aan een woning, wat leidt tot het langer blijven wonen bij de ouders en daarmee ook het uitstel van de kinderwens. Verder begeeft een aanzienlijk deel van de beroepsbevolking zich in het zogenaamde “grijze circuit”, bijvoorbeeld door zich in te schrijven als zzp’er. Een dergelijke beweging was ook reeds in de jaren tachtig waarneembaar, al heette het toen anders. Destijds zag men ook uitkeringsgerechtigden en “vrije lieden” trachten een alternatieve levensbestemming te vinden buiten het formele arbeidscircuit om. Dat was toen tot op grote hoogte ingebed in een ideologie van zelfwerkzaamheid en kritiek op het “kapitalistische” maatschappijmodel, waarvoor de zogenaamde “nieuwe sociale bewegingen” (o.a. de werk-, kraak- en vrouwenbeweging) onderdak boden (Van der Loo et al., 1984).

De uitputting van de pensioenfondsen is een rechtstreeks gevolg van de demografische ontwikkelingen, maar ook van de krediet- en bancaire crisis van 2008. Hierbij speelt ook nog eens mee, dat er toenemende kritiek is op beleggingen door die fondsen in portefeuilles die als maatschappelijk onaanvaardbaar worden gehouden: beleggen in bedrijven die zich schuldig maken aan schending van de mensenrechten en opereren in tegenspraak met een duurzame, ecologische ontwikkeling.

Wat betreft dat laatste heeft de Klimaattop van Parijs in 2015 ook een omslag in het regeringsbeleid bewerkstelligd, al zullen velen het allemaal niet vergaand genoeg vinden. Ook deze omslag zal al op vrij korte termijn grote gevolgen hebben op de structuur van de arbeidsmarkt en de bestaanszekerheid van mensen die werkzaam zijn in de gewraakte sectoren.

* De noodzaak van systeemwijziging: pleidooi voor het onvoorwaardelijk basisinkomen

De vraag die opdoemt is of de reeds in gang gezette koerswijziging van de overheid in voldoende mate tegemoet komt aan de sociale, culturele en economische veranderingen die thans in rap tempo plaatsgrijpen. In ieder geval is een koerswijziging nodig, alles bij het oude laten is geen optie en nog erger zou het zijn als reeds genomen maatregelen, zoals de verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd, zouden worden teruggedraaid. Vooral dat laatste is een onaanvaardbare aanslag op de intergenerationele solidariteit. Het getuigt van generatie-egoïsme om nog meer te verlangen van nakomende generaties, wier eigen pensioenrecht allerminst is gewaarborgd en al onevenredig bijdragen aan de bekostiging van het levensonderhoud van ouderen, die zelf meer dan evenredig hebben geprofiteerd van de financieringssytematiek van de verzorgingsstaat.
Maar eigenlijk valt het hele gedoe over de pensioenleeftijd in het niet bij wat in mijn optiek nodig is om onze welvaart en ons welzijn billijk over de algehele bevolking te verspreiden. Structurele verschuivingen op de arbeidsmarkt en in de arbeidsparticipatie vereisen een even zo structurele beleidswijziging waar het gaat over inkomensverdeling en de bronnen van waaruit die inkomens betaald moeten worden. Het is goed mogelijk dat de zekerheden die tussen de jaren 50 en 80 hebben bestaan, nooit meer zullen terugkeren. Dat past ook in het voortschrijdende “moderniseringsproces” dat steeds meer differentiatie binnen de samenleving en steeds meer flexibilisering (door voortgaande individualisering) van de arbeid met zich mee zal brengen (Van der Loo & Van Reijen, 1997).

Binnen een structurele beleidswijziging past mijns inziens de invoering van een onvoorwaardelijk basisinkomen (OBI). Dit houdt in dat alle burgers, ongeacht de aard van hun andere inkomstenbronnen, een maandelijks bedrag ontvangen waarvoor geen tegenprestaties verlangd worden. Het idee van zo’n OBI werd ook al in de jaren tachtig binnen de kringen van de eerder genoemde nieuwe sociale bewegingen gepropageerd, maar die discussie verstomde zodra de conjunctuur weer aantrok. De periode van hoogconjunctuur die vanaf circa 1985 aanbrak, leek met name na het einde van de Koude Oorlog (1989/90) oneinding, totdat de crisis van 2008 uitbrak. Sedertdien is de discussie weer opgelaaid, maar nu onder ander gesternte, aangezien er vrijwel niemand twijfelt aan de eerder genoemde, structurele veranderingen waaraan onze samenleving onderhevig is. Een OBI houdt de intergenerationele solidariteit in stand, zij het deze term dan niet meer zo adequaat is: het is dan immers niet meer zo dat de ene generatie de kosten voor een andere die er de baten van ondervindt moet ophoesten. Tevens komt er ruimte vrij om in te spelen op zelfwerkzaamheid en de blijvende flexibilisering van de arbeid. Er is een basiskapitaal voor iedereen beschikbaar om te experimenteren met andere vormen van arbeid en sociale participatie dan de gebruikelijke loondienst en het min of meer afgedwongen vrijwilligerswerk (waaronder ook de mantelzorg). Binnen de huidige stand van de koopkracht zou zo’n OBI een maandelijks bedrag van 1200 euro inhouden. Het is overigens opvallend dat onlangs zelfs in De Telegraaf door Annemarie van Gaal werd opgeroepen tot afschaffing van de AOW en vervanging daarvan door een OBI, zij het alleen voor 60-plussers (De Telegraaf, 2016). In de Tweede Kamer zijn de politieke partijen nog niet overtuigd, hoewel er wel over wordt nagedacht, behalve de “Vrijzinnige Partij”, dat heet de éénmansfractie van Norbert Klein, die zich had afgesplitst van 50Plus, naast de PVV en de SP uitgerekend de partij die de pensioengerechtigde leeftijd weer wil terugbrengen naar 65.

De kritiek als zou een OBI leiden tot explosieve vermeerdering van het aantal “bankzitters achter de geraniums” wordt gelogenstraft door eerdere en lopende experimenten met zo’n OBI en vindt ook geen evidentie in sociaal-psychologisch onderzoek. Uit het laatste blijkt, dat mensen in de meeste gevallen helemaal niet blij zijn met nietsdoen. Eerder is het zo dat de bestaande inactiviteit van sommigen veroorzaakt wordt door “perverse prikkels” die een uitvloeisel zijn van de verplichtingen die aan het verkrijgen van een uitkering gekoppeld zijn: de vermoeidheid om steeds maar weer te solliciteren op functies die niet beschikbaar zijn, de voortdurende oproepen voor heronderzoek naar de rechtmatigheid van uitkeringen, het idiote idee dat werkloosheid alleen maar je eigen schuld zou zijn, enzovoorts.
Het ligt daarom ook in de rede, dat invoering van een OBI met gelijktijdige afschaffing van al die andere uitkeringen, ook gezondheidswinst oplevert: afname van stressfactoren en meer arbeidssatisfactie en dus een lager ziekteverzuim omdat er een meer onafhankelijke positie mogelijk wordt om ook eens nee tegen een baantje te kunnen zeggen.

Er is nog veel weerstand tegen het OBI te overbruggen, maar de bron van die weerstand is vooral in een niet meer bestaand verleden gelegen. Ik koester daarom de hoop dat de huidige ontwikkelingen de overheid en de politieke partijen wel zullen dwingen tot een positievere opstelling tegenover dat OBI. Zij worden misschien wel doodeenvoudig door de tijd ingehaald.

LITERATUUR

Becker, HenkDe toekomst van de Verloren Generatie. Amsterdam, Meulenhoff 1997.
Gaal, Annemarie van. Column in: De Telegraaf. Amsterdam 22 augustus 2016.
Kempen, E.J. van. ‘Betaalt de baby de “boom”?’ In: Economisch-Statistische Berichten, 4(9) 1996, pp. 724-728.
Loo, Hans van der & Willem van ReijenParadoxen van modernisering. Bussum, Coutinho 1997.
Loo, Hans van der; Erik Snel & Bart van SteenbergenEen wenkend perspectief? Nieuwe sociale bewegingen en culturele veranderingen. Amersfoort, De Horstink 1984.
Nelissen, J.H.M. The Redistributive Impact of Social Security Schemes on Lifetime Labour Income. Tilburg, Tisser 1993.

Wat is een psychiatrische stoornis : nut, beperkingen en misbruik van de DSM

De Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders (DSM) is een handleiding voor psychiaters en later ook klinisch psychologen om te komen tot een diagnose van de psychische problematiek van patiënten* met wie zij te maken krijgen. De DSM is vooral daarbij vooral bedoeld voor het vergemakkelijken van de communicatie tussen gekwalificeerde zorgverleners, die ermee als het ware “één taal” kunnen spreken.

[ * Voor de door mij gehanteerde term “patiënt” mag ook “cliënt” gelezen worden]

De eerste versie van de DSM dateert uit 1952 en stond, zoals alle daaropvolgende edities, onder de redactie van The American Psychiatric Association (APA). Naarmate nieuwe inzichten zich verspreidden en naarmate de DSM steeds invloedrijker werd als handvat voor de diagnostiek en de behandeling van psychiatrische stoornissen, heeft de APA bij elke nieuwe editie van de DSM steeds meer rekening gehouden met het commentaar dat voortkwam uit zgn. “peer reviews”, klankbordgroepen uit andere ter zake doende organisaties en met name die, die uit andere landen afkomstig zijn. Want van meet van af aan was één van de belangrijkste kritieken op de DSM dat het handboek “socially and culurally biased” was, d.w.z. te veel leunde op westerse normen en waarden betreffende aangepast en afwijkend gedrag. De laatste edities van de DSM worden tegenwoordig in de hele wereld gehanteerd, al is de kritiek op de “bevooroordeeldheid” nog lang niet verstomd.

Wanneer is sprake van een (psychiatrische) stoornis?

Sinds de DSM-IV heeft de APA een algemeen geaccepteerde definitie gegeven voor wat als een psychiatrische stoornis (“mental disorder”) mag worden beschouwd en dus ook wat niet:

” Each of the mental disorders is conceptualized as a clinically significant behavorial or psychological syndrome or pattern that occurs in a person and that is associated with present distress (a painful symptom) or disability (impairment in one or more important areas of functioning) or with a significantly increased risk of suffering death, disability, or an important loss of freedom.” (APA, 1994)

In Nederland wordt in meer alledaagse termen ook wel de definitie gegeven, dat een ziekte of stoornis pas als zodanig mag worden vastgesteld, wanneer er sprake is van aanzienlijk lijden en/of beperkingen in het sociale functioneren (zowel persoonlijk, relationeel, maatschappelijk als beroepsmatig), hetzij ondervonden door de persoon zelf, hetzij door zijn omgeving (Van der Molen et al., 1997).

De vaststelling van een ziekte of stoornis is uiteraard voorbehouden aan de daartoe bevoegde personen en mag en kan niet worden overgelaten aan leken of personen die daartoe niet de juiste opleiding hebben genoten, iets dat is geregeld in de Wet BIG (Wet op de Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg).

De beperkte reikwijdte van de DSM

Er bestaan onder het bredere publiek een aantal misverstanden over de “heiligheid” van de DSM.
In de eerste plaats kan men op basis van de DSM géén diagnose stellen. Daarvoor is veel meer nodig, zoals kennis van de persoon van de patiënt door fysieke ontmoeting en gesprek, wetenschappelijk gevalideerd interview en het (laten) invullen van eveneens gevalideerde vragenlijsten. Daarin moeten ook andere zaken, die meespelen bij de klachten van de patiënt, worden beschreven. Dat kunnen zijn de aanwezigheid van andere ziekten, met name somatische (“lichamelijke”) aandoeningen, problemen in het psychosociaal functioneren, de aanwezigheid van omgevingsproblemen en een inschatting van het algeheel functioneren van de patiënt. Pas als dit alles achter de rug is, kan een stoornis worden vastgesteld (of dus niet) en benoemd worden. Alleen voor dat laatste is de DSM behulpzaam: “In feite is de DSM een terminologisch afsprakenboek zodat tussen instellingen, regio’s en landen één taal wordt gesproken.” (bron ?)
Vanwege het voorgaande kan en mag de betekenis van de DSM net verabsoluteerd worden: het is niet “de bijbel van de psychiaters”, wat velen denken. Het mag hierbij wel worden opgemerkt, dat de verabsolutering van de DSM soms in de hand gewerkt wordt door de druk van patiënten of hun naasten, dan wel door het ziektekostensysteem, dat uitkering baseert op een DSM-titel, die dus géén volledige diagnose is.

In de tweede plaats heeft de DSM altijd sterk geleund op één van de mogelijke, wetenschappelijke paradigma’s en wel dat van de statistiek. De sterke invloed van dit statistische model om gewoon en afwijkend gedrag van elkaar te scheiden, levert gelijk een beperking op: het kan te eenzijdig uitpakken, verkeerd worden geïnterpreteerd en vooral wat dat laatste betreft leiden tot de eerder besproken social and cultural bias. Het statistische model heeft echter universele pretenties, die zijn gegrondvest op de statistische “normaalverdeling”: het grootste deel van de populatie scoort op een bepaalde eigenschap 100 ( = index ) of binnen de zogenaamde standaardafwijking boven of onder die 100, zeg tussen 80 en 120. Deze grenzen zijn nogal arbitrair.

Bij de vaststelling van psychiatrische stoornissen kunnen echter ook nog met name twee andere paradigma’s met de bijbehorende modellen worden gehanteerd (Van der Molen, 1997). Ten eerste is dat het medische of ziektemodel, dat overigens aan de wieg van de DSM stond, omdat het de bedoeling was psychiatrische aandoeningen niet anders te classificeren dan de somatische. Dit model doorloopt de volgende stappen:

Constatering van abnormaliteit of ziekte bij de patiënt  >  diagnose, gesteld door de therapeut  >  therapie, gekozen en uitgevoerd door de therapeut, de patiënt speelt geen rol  >  genezing van de patiënt.

Ten tweede kan het leer- of onderwijsmodel gehanteerd worden, dat als volgt verloopt:

Constatering van een probleem bij de patiënt  >  bepaling van het leerdoel in overleg tussen therapeut en patiënt  >  uitvoering van een behandelprogramma ontwikkeld door de therapeut; de patiënt past de aangereikte kennis en vaardigheden toe om het probleem te verminderen  >  vermindering van het probleem van de patiënt.

De verbeteringen in de DSM-V

De nieuwste versie van de DSM, de vijfde editie, zal in Nederland vanaf 1 januari 2017 als toetssteen gaan gelden voor de erkenning van psychiatrische stoornissen en de vergoeding van daarmee gepaard gaande behandelingen en verdere kosten. Zoals het alle wetenschappelijke publicaties betaamt, en de DSM is daar een van, zijn de discussies over de totstandkoming van de DSM-V al een aantal jaren in de media gepubliceerd geweest. Bij deze discussies moet ermee worden rekening gehouden dat er altijd wel alternatieve zienswijzen zullen blijven, maar dat de APA en ook de meeste verenigingen van psychiaters uit andere landen nu eenmaal een keuze moeten maken in een classificatie van psychiatrische stoornissen, die over voldoende draagvlak bestaat. Anders groeit het oerwoud van de psychiatrie nog verder dicht en ontstaat er helemaal een Babylonische spraakverwarring.
Veel van de kritiek op voorstellen tot verandering in de DSM-V zijn ter harte genomen. Zo is de oude indeling in “assen” die tot en met de DSM-IV (TR) werd gehanteerd voor de anamnese voorafgaand aan het stellen van een diagnose, losgelaten. (er waren vijf assen: 1. een enkelvoudige psychiatrische stoornis; 2. een persoonlijkheidsstoornis; 3. aan-/afwezigheid van somatische aandoeningen; 4. psychosociale en/of omgevingsfactoren; 5. algehele beoordeling van het functioneren). Voor het onderscheid tussen deze assen was nauwelijks wetenschappelijke evidentie en dat gebrek is de afgelopen jaren alleen maar groter geworden. De DSM-V leunt nu meer dan zijn voorgangers op een holistische benadering, waarbij met name het onderscheid tussen lichaam en geest gaandeweg wordt losgelaten (dit is te danken aan neuro imaging, de mogelijkheid om in levende hersenen te kijken, een mogelijkheid die bij de invoering van de DSM-IV in 1994 nog niet of nauwelijks bestond en steeds meer tot de conclusie dwingt dat psychiatrische stoornissen altijd een fysieke, dus somatische component hebben).

Ook is de “restcategorie” die bij veel ontwikkelings- en persoonlijkheidsstoornissen in de DSM-IV was gecategoriseerd en bekend staat onder de afkorting “NOS” of “NAO” (Engels: “not otherwise specified”, Nederlands “niet anderszins omschreven”) geschrapt. Voor een belangrijk deel is dat het gevolg van de overdiagnosticering in deze restcategorieën. We kunnen sinds de DSM-V niet meer spreken van bijvoorbeeld “PDD-NOS”, wat nu onder de verzamelcategorie “autismespectrumstoornissen” (ASS) valt. Ook het syndroom van Asperger is geschrapt en valt nu ook onder ASS.

Zoals zo vaak, sijpelen dit soort veranderingen maar langzaam door onder het grote publiek en het kan ook nog verwarrend werken voor mensen en hun omgeving, als zij van de ene op de andere dag een ander etiket voor hun stoornis krijgen opgeplakt.

Persoonlijk vind ik de allergrootste winst van de DSM-V ten opzichte van zijn voorganger, dat het verschil tussen enkelvoudige stoornissen en persoonlijkheids- en ontwikkelingsstoornissen is komen te vervallen en dat een aantal eigenschappen die tot disfunctie leiden nu worden ingeschaald tussen – zeg – matig en ernstig.

Ik wil hier nog een keer graag opmerken, dat een bepaald etiket betreffende een psychiatrische stoornis op grond van de DSM niet voor algemeen gebruik is bestemd en ook niet de hele lading van de stoornis dekt, maar alleen is bedoeld om de communicatie tussen bevoegde betrokkenen te vergemakkelijken: het alles-of-nietsdenken is losgelaten en er is nu sprake van een stoornis in meer of mindere mate.

Wat nu als je een etiket uit de DSM-classificatie hebt opgeplakt gekregen?

Het is een eigenschap van de mens om de werkelijkheid te reduceren tot hapklare brokken. Een groot deel van de wetenschap is gestoeld op classificatie van die werkelijkheid, die per definitie ook een reductie van de werkelijkheid inhoudt. De werkelijkheid is veel complexer dan wat wij als soort kunnen duiden en zoals elke soort heeft de mens de eigenschap om gevaar en chaos te vermijden. Wat onze zintuigen waarnemen, selecteren we en het geselecteerde wordt geïnterpreteerd. Zowel selectie als interpretatie zijn in filosofische zin welbeschouwd nogal at random, alsof je gooit met een dobbelsteen. Dan wel een dobbelsteen die niet neutraal is, want ervaring van onszelf alsook die van mensen uit voorgaande generaties vertroebelen een puur toevallige interpretatie. Eigenlijk maken we bij elke situatie een educated guess.

Een goede wetenschapper zou moeten weten dat het zo werkt, maar mensen als zij zijn maken zij zich net als minder gestudeerde mensen vaak schuldig aan generalisaties en vooroordelen. Laat ik het voorbeeld van schizofrenie, of beter: een schizofreniforme stoornis, nemen:

De verspreiding van nieuwe inzichten kan lang, soms decennialang, op zich laten wachten en daarom denken nog steeds veel mensen dat iemand die lijdt aan schizofrenie, een gespleten brein zou hebben. Dit is echter niet het geval, net zo min dat die mensen zich altijd en onveranderlijk afwijkend gedragen. Schizofrenie is in mijn beleving een hersenziekte, veroorzaakt door een ontregelde stofwisseling met name in de hersenen (de werking van neurotransmitters en de abnormale verhouding tussen de verschillende neurotransmitters). De aan schizofrenie gekoppelde psychose (psychose is geen DSM-categorie an sich, maar een symptoom van verschillende psychiatrische stoornissen die overigens door uitzonderlijke omgevingsfactoren ook bij anders volstrekt normaal functionerende mensen kan optreden) wordt door sommige psychiaters wel gedefinieerd als “een overmaat aan stress” (Schneider, 1997), waarbij de drieslag zintuiglijke waarneming, selectie daarvan en vervolgens interpretatie onvoldoende werkt: er blijven te veel prikkels over die, omdat die angst opwekken, onmiddellijk en zonder toetsing aan de realiteit van anderen plaatsvindt. Dat zet iemand buiten zijn sociale omgeving, maar “gek” is het niet.

Er wordt veel kritiek geuit op het opplakken van etiketten uit de DSM. Sommigen menen dat die etiketten stigmatiseren. Dat kan zo zijn, als die etiketten met “superglue” zouden zijn opgeplakt, maar dat kan nooit de bedoeling van een zinnige psychiater of psycholoog zijn. Die zijn er immers voor om iemand ergens van te genezen. Dat kan ook zo zijn, als de patiënt in kwestie om wat voor reden dan ook weerstand heeft om de eigen beperkingen onder ogen te zien, daaraan geen naam wil geven uit angst door anderen te worden gebrandmerkt. In het extreme geval kunnen mensen, die aan een aantoonbare stoornis lijden, vervallen in de rol van “zorgwekkende zorgmijder”, mensen die “therapieresistent” zijn en daardoor de facto als ongeneeslijk moeten worden verklaard. Een keer houdt het op: er zijn grenzen aan de beste vormen van communicatie tussen patiënt en therapeut, als er geen vertrouwensrelatie kan ontstaan of als er geen concrete, op korte termijn haalbare doelen te bereiken zijn, staat ook de meest ervaren therapeut met lege handen. Dan loop je eenvoudigweg aan tegen de grenzen van het algemene, menselijke vermogen.

Daar staat tegenover, dat mensen soms jarenlang lijdensdruk ondervinden zonder dat daar een naam aan gegeven is. Het kan dan een opluchting zijn om eindelijk eens een etiket opgeplakt te krijgen. Zo’n etiket kan bijdragen aan het begrip van de omgeving: “deskundigen hebben er een naam voor”, het is geen wilszwakte, luiheid of gebrek aan doorzettingsvermogen meer als een gepland doel niet behaald wordt. De opluchting kan ook zijn, dat heel veel falen in het verleden opeens verklaarbaar is en dat de verwijten, waarmee de patiënt zat, nu onterecht blijken. Dat kan het zelfbeeld enorm vooruit helpen. Het gevaar is wel, dat van etiketten ook weer misbruik kan worden gemaakt: soms komt het iemand heel goed uit om na etikettering onder te presteren, iets dat bekend staat als ziektewinst: je hoeft een aantal verantwoordelijkheden niet meer na te komen en kan ze aan anderen overlaten.

Conclusie

Er is niet zo veel mis met de DSM, als die maar gebruikt wordt waarvoor het bedoeld is. Het hele veld van de psychiatrie en de psychologie overlapt grote delen van het domein van de moraal en de ethiek, zoals dat ook het geval is bij de kwesties van abortus en euthanasie. De hele discussie over de queeste naar een juiste toepassing van psychiatrie als medisch specialisme en de psychologie kent geen einde, zelfs niet als de oorzaken van psychiatrisch disfunctioneren beter in kaart zijn gebracht. Een culturele component zal ook blijven bestaan: zelfs al wordt vastgesteld dat sommige stoornissen worden overgeërfd, dan nog is de openbaring van of de omgang met die stoornissen afhankelijk van de omgeving: iemand die wartaal uitslaat kan in sommige culturen als een wijze sjamaan worden gewaardeerd, een orakel zeg maar, en in andere culturen psychotisch of ronduit gek. Op zulke vragen bestaat geen definitief antwoord en het is misschien een westerse, maatschappelijke ziekte dat velen het waanidee hebben van de totale maakbaarheid van de wereld en de mensen die daarin leven: het idee van perfectheid, dat zeker mag worden nagestreefd maar dan wel indachtig de wetenschap het nooit te zullen bereiken.

 

Occidentalisme en “The Clash of Civilizations”

De afgelopen eeuwen is onze westerse cultuur geëvolueerd tot een mondiale, dominante cultuur. Ambitieuze personen uit andere culturen hebben steeds getracht die westerse cultuur te adopteren en ten voorbeeld genomen voor de ontwikkeling van hun land en volk. Hierdoor kon het idee postvatten dat verwestering de enige weg is tot voortgaan in de vaart der volken. Je zou het “occidentalisme” kunnen noemen. Lange tijd heeft dit westerse paradigma een zekere monopoliepositie ingenomen, totdat recentelijk een economische ontwikkeling in niet-westerse regio’s in gang werd gezet.

In de sociologie wordt de evolutie van de westerse cultuur wel aangeduid als “het moderniseringsproces”. Dit proces heeft betrekking op vier grote domeinen van de samenleving: differentiatie, rationalisering, individualisering en domesticering (Van der Loo & Van Reijen, 1997).

Het domein van de differentiatie heeft met name betrekking op de toenemende specialisatie van functies. Zo zijn er nu nog maar weinig slagers die zelf de dieren slachten, laat staan ze bejagen of telen.

Het domein van de rationalisering heeft onder andere betrekking op de mechanisatie en automatisering van de arbeid, de ontwikkeling van een tijd- en kostenefficient productieproces en de verschuiving van mystieke en religieuze grondslagen naar grondslagen die op een meer modern-wetenschappelijke zijn geënt, met name de empirische wetenschapsbeoefening en -toepassing: iets is waar en geldig als het waarneembaar en herhaalbaar is en slechts waar totdat het tegendeel kan worden aangetoond op diezelfde waarneembare en herhaalbare gronden. Weber (1919) noemde dit “die Entzauberung der Welt”, de onttovering van de wereld.

Het domein van de individualisering heeft betrekking op het verschuiven van het zwaartepunt van de maatschappelijke ordening van de sociale groep als constituerende eenheid naar het individu als de maat aller dingen. Individuen werden steeds minder gezien als onderdeel van een collectief, met ieder een vaste en onveranderlijke plaats binnen dat raderwerk, en steeds meer als een zelfstandig opererende entiteit die zijn door formele scholing verworven vaardigheden aanbiedt op de “markt van geluk en welzijn”.

Het domein van de domesticering betreft de onderwerping van de natuur, inclusief de mens zelf, aan planmatig en doelbewust beheer. Dit wordt ook wel het civilisatieproces genoemd (Elias, 1939). Hierin wordt onder andere de verschuiving beschreven van de beheersing van de persoon en het lichaam door dwang van buitenaf (de groep of de staat) naar zelfdwang (je gedrag beperken tot datgene wat betamelijk gevonden wordt).

Het moderniseringsproces omvat drie belangrijke episoden in de westerse geschiedenis, namelijk die van de renaissance, de reformatie en de verlichting. Ruwweg kan gezegd worden dat dit leidde tot de moderne wetenschapsbeoefening met het wetenschappelijk kennissysteem als belangrijkste bron van kennis en waarheid, dit ten koste van andere kennissystemen zoals de alledaagse kennis (zeg de niet opgetekende ervaringskennis), religieuze kennis, artistieke en journalistieke kennis.

Het is wel waar, denk ik, dat het wetenschappelijk kennissysteem superieur is aan de andere kennissystemen omdat het zichzelf laat falsifiëren volgens strikt omschreven regels en omdat het universele geldigheid zou hebben (dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld journalistieke kennis, die veelmeer fragmentarisch en anekdotisch is), desondanks is en blijft het een reductie van een anderszins chaotische werkelijkheid, aangezien de opgedane kennis geselecteerd, gecategoriseerd en geïnterpreteerd wordt.

Het moderniseringsproces is uitermate succesvol gebleken. Ik wil er hier wel bij opmerken, dat dat proces geen vooropgezet plan was, maar door een samenkomst van allerlei factoren het autonome beloop heeft genomen zoals wij dat achteraf kunnen vaststellen. Het succes heeft blind gemaakt en zo kon – wat ik noem – het occidentalisme ontstaan: de idee dat de ontwikkeling van de westerse cultuur een voorbeeld voor de hele wereld is en zonder mankeren overal kan worden opgelegd. Het grootste exces van het occidentalisme is wel het kolonialisme, gevolgd door de rationele staat. Het leidde tot de gedachte van The White Man’s Burden, een quote uit een gedicht van Rudyard Kipling (1899) en vervolgens deels ten onrechte geïnterpreteerd als de plicht van de blanke mens om minder beschaafde mensen te verheffen middels westerse culturele waarden en normen. In Nederland was dit vertaald als “de ethische politiek” in Nederlands Indië, waar de blanke leidsman het bruine volk “beschaving” moest bijbrengen, alsof het een “blank offer uit plicht” zou zijn.

De dominantie van de westerse cultuur heerste tot het einde van de Koude Oorlog met de val van het communisme. De wereld was tot dan toe min of meer “bipolair”: het kapitalistische westen en het communistische oosten. Hierbij moet worden opgemerkt dat het communisme een uit het westerse moderniseringsproces voortgekomen ideologie is, die in delen van Oost-Europa en Azië met dwang aan het volk is opgelegd, aldus ook een versie van The White Man’s Burden. Ten oosten van de lijn Sint-Petersburg – Griekenland hebben renaissance, reformatie en verlichting niet of nauwelijks plaatsgevonden (inclusief Griekenland zelf) en er is daar dus geen sprake van een natuurlijk moderniseringsproces (Huntington, 1993/96).

Na de val van het communisme kraaide de kapitalistische haan victorie (Fukuyama, 1992). Wat er echter gebeurde, was dat het einde van de Koude Oorlog voor andere dan westerse landen de mogelijkheid schiep zich te ontwikkelen. Van dat proces zijn wij thans tijdgetuigen. De wereld is niet meer “bipolair”, maar “multipolair”, waarbij verscheidene polen niet tot het westers cultuurerfgoed behoren: China, India en in zekere zin ook Japan en Brazilië. In opkomst zijn ook delen van “zwart” Afrika en het emancipatieproces van de islamitische wereld (althans zo zie ik dat, overigens met de eerder aangehaalde Huntington samen).

Daarmee is wellicht een einde gekomen aan de werelddominantie van de westerse cultuur en het moderniseringsproces, dat toch steeds ook vanuit het westers perspectief is beschreven. Immers, er zijn ook moderniseringsprocessen denkbaar die niet op westerse leest geschoeid zijn: een vroege protagonist van het laatste was Mahatma Gandhi, wiens ideeën daarover in het westen als traditionalistisch, conservatief en zelfs reactionair werden afgedaan. Interessant is in dit opzicht de Gandhi’s repliek tegen de Britse machthebbers in “Brits Indië”, die beweerden dat zonder Brits bestuur het land aan chaos zou zijn overgeleverd: “Met alle respect, heren, maar er is geen volk op de wereld dat een vreemd bewind prefereert boven een slechte, maar uit het volk voortgekomen regering” (uitspraak 1930, zie Wikipedia).

Ik kom nu aan het einde van dit betoog. Ene Jolanda Kok had mij de documentaire Schooling the World. The White Man’s Last Burden (2010), aanbevolen. De film gaat over de implantatie van westers onderwijs in een traditionele, Indiase gemeenschap (Ladakh). Het onderwijs leidt op tot westerse waarden en normen en sluit niet aan bij de overgeërfde kennis van de lokale cultuur. Het komt erop neer dat door deze vorm van onderwijs de teloorgang van die lokale cultuur wordt versneld en dat de leerlingen vervreemd raken van hun wortels (individualisering) en ook niet meer in staat zijn om zichzelf van de eerste levensbehoeften te voorzien (specialisatie: grote kennis op één terrein, geen kennis op andere terreinen). Bovendien komt het domein van de domesticering aan de orde: de regio Ladakh zou te weinig natuurlijke hulpbronnen hebben om de daar levende mensen “te beschaven”. Dat hiertegen verzet op komst is, mag geen verbazing wekken bij diegenen die hun westerse bril kunnen afzetten. En door onze vaak goedbedoelde, maar gekleurde westerse bril zien we niet welk gevaar onze eigen civilisatie loopt, nu wij niet meer het machtsmonopolie in de wereld hebben. Het verklaart veel van de hedendaagse conflicten, waar tot op heden geen goed westers antwoord is geformuleerd. Los van zelfkritiek over onze arrogantie, zijn toch een aantal door het moderniseringsproces verworven zaken, zoals democratie, mensenrechten en persoonlijke vrijheid, de moeite van het verdedigen waard. Dat wel binnen onze eigen “hemisfeer”.
LITERATUUR

Black, Carol : Schooling The World. The White Man’s Last Burden (documentaire), US 2010.
Elias, Norbert : Über den Prozess der Zivilisation. Soziogenetische und psychogenetische Untersuchungen, Basel 1939.
Fukuyama, Francis : The End Of History And The Last Man, Free Press 1992.
Huntington, Samuel Phillips : Clash of Civilizations, in: Foreign Affairs, New York 1993; later in boekvorm: Clash of Civilizations and The Remaking Of World Order, 1996.
Loo, Hans van der & Reijen, Willem van : Paradoxen van modernisering, Bussum 1997.
Weber, Max : Wissenschaft als Beruf, München 1919.

Robins muziekontwikkeling: van John Denver tot garagerock

Door mijn hele muziekontwikkeling, van John Denver tot garagerock, loopt ondanks de schijnbare tegenstrijdigheid een rode draad: die van “Americana” in de brede zin van dat begrip. Een andere constante is, dat ik in mijn eigen, directe omgeving altijd tegen de mainstream in die omgeving heb opgezwommen. In mijn middelbare schooltijd was John Denver “not done” onder die stoere, rockende jongens die zich liever identificeerden met de toen opkomende Herman Brood.

Ik kom er niet onderuit door de zeggen dat mijn Haagse neef, drie jaar ouder als ik en met wie ik vooralsnog niets meer te maken wil hebben, grote invloed heeft gehad op mijn muziekontwikkeling. Die neef, die ik maar gewoon “Neef” noem, was heel dik met zijn buurjongen, een indo die in zijn jongenskamer zowat een hele studio had, met bandrecorders en al. Het waren ook de jaren van de Haagse indo-rock. Neef had een drumstel gekregen en beschikte over een groeiende platencollectie, die voornamelijk bestond uit Amerikaanse artiesten. Neef had ook de zucht om naar Canada te emigreren, waar ook familie van ons zit, en hij heeft dat daadwerkelijk voor een paar jaar gedaan, om met min of meer hangende pootjes terug te komen.

*

Mijn en zijn Canadese oom en tante, neven en nichten woonden in Calgary, in de westelijke provincie Alberta, de Canadese evenknie van US Texas. Ik ben daar in 1978 geweest en weet daarom wel hoe de familiesfeer er was. Het was vreemd dat de voortuin van mijn oom en tante de minst aangeharkte van de straat was, iets wat je van voormalige Nederlanders niet zou verwachten. Het was een soort huishouden van Jan Steen, waar ik me ook na enige gewenning heel vrij voelde.

Mijn oom Arie daar, dat was direct duidelijk, had een artistieke hand: hij deed veel aan houtsnijwerk en struinde ook alle rommelmarkten van Calgary af. Vreemd is dat niet, mijn moeder had een artistieke inslag (en mijn vader op een meer Mondriaanse wijze ook) en ook één van mijn neven daar in Canada, Jeff, die een gevestigde naam in die contreien is als beeldend kunstenaar. Toen ik in Calgary was, was Jeff pas veertien en vooral een dromerige puber.

Wat ik me kan herinneren van Neefs platenkast, zijn elpees van John Denver, Neil Young, Bob Dylan en eentje van Seals & Croft, ik vermoed dat de laatste door niemand hier meer gekend is. En o ja, er was ook nog de muziek van “Jesus Christ Superstar”, waarvan ik hele teksten uit mijn hoofd kan opdreunen. John Denver was in eerste instantie de belangrijkste, omdat er een live-dubbelelpee was, “An Evening With John Denver”, waarbij ik helemaal kon wegzwijmelen en waarvan ik de zanglijnen probeerde na te bootsen. Niet makkelijk, want zijn stembereik was behoorlijk.

John Denver bezong ook Alberta en omstreken: Heading back from Canada, on a gravel road to Montana, then my daddy read a sign and took us in the wrong direction. Go home, said the man in the moon, go home said the man in the moon, go home. Because it’s getting sorta late and I soon turn out my lights, go home said the man in the moon, go home. We didn’t know who we were, we didn’t know what we did, we were just on the road”.
Eigenlijk zo oubollig nog niet. En omdat Calgary aanschurkt tegen de Rocky Mountains, schalde het in de auto met mijn oom, tante, Neef en ik op de terugweg van een huwelijk van een nicht van mij, Rocky Mountain high, Rocky Mountain high-eee, waarna mijn oom de auto pardoes op het onverzorgde voortuintje van zijn huis parkeerde. Ja, hij had te veel gedronken en wij allemaal, waarschijnlijk was het mijn eerste dronkenschap. Ik was nog net geen achttien.

**

Hoewel ik als puber nogal teruggetrokken en beschroomd was, van één ding heb ik nooit last gehad: podiumvrees. En dus stond uw Robin op het podium van de scholengemeenschap De Amersfoortse Berg, ik wil eigenlijk zelf niet meer weten hoe, John Denvers Annie’s Song (“You fill up my senses …”) en het net nieuwe Paradise By The Dashboard Light van Meatloaf te vertolken. Kritiek heb ik niet gekregen, ik vermoed omdat al die stoere jongens dit niet durfden en misschien gleed het ook wel van me af. Het was een statement: zo maak je eens de echte Robin mee!

De elpee Desire van Bob Dylan bestaat vooral uit wat ik ballades of gezongen gedichten zou willen noemen. Het was al een stapje verder weg van de overwegende plattelandsromantiek van John Denver. The Hurricane kan ik helemaal uit mijn hoofd en het fijne is, dat je er niet al te veel zangkwaliteiten voor nodig hebt, want ons Bob wordt niet in de eerste plaats gewaardeerd om de zijne. Maar het heftigste op die elpee is wel Joey, “king of the streets, child of clay”. Wat verschrikkelijk aandoenlijk is de strofe: “Sister Jacqueline and Carmela, mother Mary all did weep. Then I saw the old man’s limousine, head back towards the grave. I guess he had to say one last goodbye to the son that he could not save.”

En Neil Young natuurlijk, van het album Comes A Time, met opnieuw een verwijzing naar Alberta, al is het een cover: “I think I go down to Alberta, wheather’s good there in the fall …”

***

Er volgden wat uitstapjes, want inmiddels had ik de podiumsmaak te pakken en vond dat ik me eens wat breder moest gaan oriënteren. Ondertussen, het is 1979, had ik een elektrische gitaar en een akkoordenboek en schreef mijn eerste songteksten, die ik nu niet meer ten gehore zou willen brengen. Ik was, misschien omdat het zo stoer klonk, gecharmeerd geraakt van de Nederlandse New Adventures met hun hitje Come On, dat naar ik nu weet een cover is van Chuck Berry. En ook Normaal kwam langs, omdat die toch op een of andere manier getuigden van autenthieke rebelsheid. The Sex Pistols, The Clash en The Damned hadden ook al van zich laten horen en ik vermoed, zeker weet ik het niet meer, dat ik hun platen aanschafte bij de alternatieve platenzaak De Joker te Amersfoort, waar ik ook mijn platen van mijn grootste held van het moment kocht: Joe Jackson, met de elpee I’m the Man en de hit Is She Really Going Out With Him. Joe was net zo astmatisch als ik, misschien wel erger, en hij kon helemaal uit zijn dak gaan op het podium. De voorzichtigheid voor mijzelf viel van mij af en leidde er, op een zomerdag in 1981, toe dat ik voortaan als punker door het leven ging. Dat was nadat ik mijn al dan niet verbeelde, beroerde reputatie op de middelbare school achter mij kon laten na inschrijving op de Rijksuniversiteit Utrecht in 1980. En daar liepen natuurlijk ook geestverwanten rond. Ik denk dat voor veel mensen het hoger onderwijs zoiets als een initiatieritueel naar de volwassenheid is geweest: “Coming of age”.

****

Over mijn intrede in de drieëenheid Punk, Kraak en Junk heb ik al veel op mijn Facebook geschreven en dat ga ik hier niet herhalen. Ik wil erover opmerken, dat ik al snel in de vrij extreme straight edge hardcore punk belandde en daaraan ook best wel veel lippendienst heb bewezen, maar dat het nooit mijn intentie is geweest om zelf die soort muziek te maken of uit te voeren. De energie van de jongens van Lärm en andere bands uit die sfeer kan ik gewoonweg niet opbrengen, hoewel ik er erg veel plezier aan beleefd heb. De invloed van hardcore punk op mij moet ik misschien breder trekken: ik doe dat liever als een dichter met muzikale begeleiding, een soort “hardcore poetry” of zo, zoals later Henry Rollins dat ook deed en misschien ook wel een Gijs ter Haar in zijn wildste jaren.

Eerder hebben de vroege The Cure en de The Clash met hun London Calling mij muzikaal bijgeschaafd en dan gaat het al wat meer de melodieuze kant op. En dat gecombineerd met mijn “Americana” die toch behoorlijk in de country- en folksfeer zit, komen we toch uit op door gitaren gedragen muziek met een nogal duistere ondertoon. En wat die Americana betreft, vergeet ik zo maar Johnny Cash, waarvan een door hem vertolkte traditional wel een van mijn favoriete liedjes is op terras of lopend onderweg:

When I was a little bitty baby
My mama would rock me in the cradle
In them old cotton fields back home

When I was a little bitty baby
My mama would rock me in the cradle
In them old cotton fields back home

But when those cotton balls get rotten
You can’t pick very much cotton
In them old cotton fields back home

It was down in Louisiana
Just a mile from Texarcana
In them old cotton fields back home …. “back home” …

De duistere ondertoon is ook precies de reden dat ik behoorlijk van mijn stuk was toen Ian Curtus van Joy Division een eind aan zijn leven maakte. Het fijne aan Ian Curtis was voor mij, dat hij alleen maar zanger was en geen gitaar aan zijn schouders had gehangen en dat je over zijn zangtalenten ook vraagtekens kan stellen, maar alles was van zo’n monsterlijke intensiteit en spasticisme, dat dat helemaal niet meer erg was. De schijnbaar alle conventies negerende optredens van Joy Division spraken mij ten zeerste aan, zodat het niet anders kan dat de band en Ian Curtis in het bijzonder een blijvende invloed op mij als zanger en dichter hebben gehad. Comsat Angels, Echo and The Bunnymen en ook Jesus and Mary Chain deden de rest, maar ook The Smiths en The Sound mogen niet ongenoemd blijven en dan was ik bijna nog Siouxsie and The Banshees vergeten.

*****
Eind jaren tachtig kwam de sleet in “alternatieve” muziek en vond ook de zwanenzang plaats van wat in de sociologische literatuur wordt genoemd de nieuwe sociale bewegingen: vrouwen- en vredesbeweging, werkbeweging (niet te verwarren met de vakbeweging), milieubeweging en kraakbeweging. Mijn afstudeerscriptie in de sociologie zou gaan over de opkomst en de invloed van de Amersfoortse kraakbeweging, mijn onderzoeksvoorstel was al goedgekeurd, maar de teloorgang van de beweging trof mij ook persoonlijk, zodat de motivatie om er nog over te schrijven en te onderzoeken, als sneeuw voor de zon verdween. Het is de reden waarom ik niet ben afgestudeerd, terwijl het cum laude had gekund. Ik besefte toen voor het eerst welke demonen mij afhielden van een professioneel pad, dezelfde demonen die mij ook in Punk, Kraak en Junk hadden gebracht (ik wil hier wel graag zeggen, dat ik in de junkiescene betrokken was, maar niet als verslaafde, maar als organisator en hulpverlener, voor wat dat allemaal waard is geweest).

******

In 1989 opende Amersfoorts eerste poppodium, De Kelder, haar deur. Waar het optredens van underground bands betrof, was het snel duidelijk dat er niet meer die hoeveelheden publiek op afkwamen als in de jaren 1984/85, het hoogtij van de Amersfoortse punkscene met het “punkkafé Het Kippenhok” in de gekraakte Grachtkerk. Toen kwamen er honderden mensen uit de hele wereld af op de meest atonale punkconcerten, in De Kelder mocht je blij zijn als er vijftig op een onbekende en niet eens zo’n atonale band afkwamen. Het was doodtij, een beetje van hetzelfde soort als waaruit punk in de jaren zeventig überhaupt was ontstaan. Binnen de Amersfoortse punkscene begonnen de onderlinge verschillen ook steeds meer op te spelen, nu het met de officiële Kelder serieuze business geworden was. Er moesten concessies gedaan worden om ook wat meer tegen de mainstream aanschurkende bands te boeken, alsook iets te doen met een nieuw fenomeen, de dancemuziek met een dj als kunstenaar.

Dat er een nieuwe golf van op punk lijkend geweld aan zat te komen, werd langzaamaan duidelijk, maar de gedaante waarin die zich aandiende en de aanvankelijke prilheid met de financiële consequenties vandien, bleef dit voor velen verborgen of onbegaanbaar. Vaak was ik al bekend met het feit dat er met name in Seattle iets aan de hand was, maar als penningmeester van De Kelder durfde ik in het najaar van 1990 Nirvana toch niet te boeken. De band had een dag of wat eerder in Apeldoorn voor vijftig man opgetreden en het kostte twaalfhonderd gulden. De Kelder kon maar 200 bezoekers aan, zodat het in die tijd sowieso al begrotelijk was geweest.

*******

Er speelde nog iets anders mee. Midden jaren tachtig had ik mijn eerste, min of meer serieuze band (enige lokale bekendheid als podiumdichter had ik al), genaamd Genève ’83. Het is maar tot een paar optredens gekomen en ik ben er als frontman nog uitgeflikkerd ook, wat tevens het einde van de band was. Waar ging het over? Er werden mij radicaal anarcho-communistische teksten opgedrongen die ik eigenlijk niet wenste te zingen, maar omdat ik niet zo goed was om keuzes te maken, leidde dat ertoe dat ik nogal vaak op oefensessies verzuimde. Ik heb er nauwelijks wrok over dat het zo is gelopen, ik beschouwde mezelf destijds wel als een filosofisch anarchist, maar ben eigenlijk altijd een nogal gematigd “politicus” geweest. Mijn adagium over het anarchisme had ik geleerd van mijn filosofiedocent op de universiteit, prof.dr. Wim van Dooren: Anarchisme is het streven naar een samenleving zonder opgelegd gezag, met de nadruk op streven. Utopia is toch niet bereikbaar. Nu ik het zo opschrijf, kan ik me er eigenlijk nog steeds wel in vinden.

De doorbraak van Nirvana en vooral ook de indrukwekkende videoclip die op het toen nog behoorlijk alternatieve MTV bij Smells Like Teen Spirit werd uitgezonden, voelde bij mij als een bevrijding aan: Punk Strikes Back!, al heette het grunge, maar dat is louter semantiek. Ik weet wel zeker dat Kurt Cobain en de zijnen het ook liever punk dan grunge hadden willen laten noemen, al zijn beide termen uiteraard ook niet geheel adequaat. In ieder geval stonden Nirvana en de in hun kielzog bekend geworden bands voor de opschudding van de lakens in de popcultuur, een terugkerend fenomeen dat je wellicht nog het best met de term van de eerste, moderne opwelling kan benoemen: dada.

********

Het einde van Nirvana in 1994 sloeg bij mij bijzonder hard en omvangrijk in. Het gevolg was een stortvloed aan zelf geschreven en gecomponeerde gedichten en songteksten, waarvan de eerste ik direct na de bekendmaking van Kurts zelfmoord op 8 april 1994 op het prikbord van De Kelder spijkerde: De hemel huilde boven Seattle. Ik geef hier de Engelstalige versie, die ik onlangs heb geschreven van mijn eigen gedicht, omdat ik die eigenlijk mooier dan het originele Nederlands vind:

Heaven was crying above Seattle
That day as any day
A day, a shot, a deed
And heaven was crying above Seattle

Heaven has always cried and will always do
Cry for life, cry for death
Heaven is as old as she is young:
Timeless and everywhere

Yesterdag was youth
I wish it were yesterday today
But I’m no heaven
She cries and cries
Above Seattle and above Amersfoort

Jurtko Moerbeek las het en vroeg mij of ik ervoor voelde het eens op te dragen op het podium, terwijl hij mij met gitaar zou gaan begeleiden. En zo gebeurde. Misschien was het wel de eerste keer, maar dat heb ik van anderen, dat dat gebeurde als een ingelast voorprogramma van The Moonlizards op het Kelderpodium. Ik leefde toen namelijk nogal in een waas. Er zijn lichaamseigen drugs waar je psychedelisch van wordt.

Robin, vast van plan het werk van Kurt voort te zetten, was vanaf dan voor een paar jaar podiumdichter, begeleid door Jurtko Moerbeek op gitaar, Ruben van der Burgh op drums en even later door Tijmen van Galen als bassist. We kwamen zo ver als het Dunya Festival te Rotterdam, waar we onze act nog een keertje mochten overdoen omdat onze fans zo’n treinvertraging hadden opgelopen dat zij na het einde pas arriveerden. En het publiek dat al de eerste set had aangehoord, bleef zitten … “Boven Beierse grond, in het gangpad – Danste ik op de tonen – Van een slepende cassetterecorder – ‘Smells Like Teen Spirit’ …. De jaarwisseling in Praag – Van bijstandstrekker even miljonair – Het kon weleens heel alcoholisch worden … – (gezongen:) I’m a millionaire on the dole, I’m a millionaire on the dole – How to explain confuses my brain – I’m a millionaire on the dole, I’m a millionaire on the dole – I’m dancing in a train”.

Aan de bar van het Bibliotheektheater te Rotterdam sprak een jonge, indische vrouw mij aan, of ik interesse had om mee te doen aan een bundel van indo-dichters. Ik ben erop ingegaan, bij de uitgever te Bergen NH een rijsttafel genuttigd, maar uiteindelijk niet in de bundel opgenomen. Ik mag dan Indische connecties hebben, mijn repertoire gaat daar doorgaans niet over.

Onderwijl had een gitarist, die altijd meespeelde op de open sessies op het Kelderpodium, mij gevraagd om met hem te spelen. Het werd de meest serieuze band die ik tot nu toe gehad heb, The Mudlarks, door mij vernoemd uit één van mijn gedichten als podiumdichter: “I know about the mudlark, he has nothing to find – But nothing is plenty for him.” De “modderleeuwerik” was een jong kind in het Londen van de 19e eeuw, dat bij eb in het drek van de Theems zocht naar schroot dat eventueel nog een penny kon opleveren.

The Mudlarks bestonden uit mijzelf (zang en tekst, sommige melodielijnen), Jeroen Marree (gitaar, melodielijnen), Jurtko Moerbeek (bas) en Jan-Jaap Snijder (drums). We waren de eerste band die in de reeks Torenpop in Amersfoort optrad en het zat best goed in elkaar, totdat Jeroen op een verschrikkelijke manier de man met de hamer tegenkwam, ik zal er niet verder over uitweiden. Het was de zoveelste blow in my face en ik kon niet meer verder, totdat ik recentelijk weer wat performances als story-teller heb gedaan. Mijn voornemen is om de stiel maar weer eens op te pakken, als dichter of zanger.

Mijn inspiratie voor The Mudlarks kwam niet eens zozeer van Nirvana, eerder van Sonic Youth, Buffalo Tom, Smashing Pumpkins en … Jacques Brel. Soms laid back (Sonic Youth), dan weer rustige gitaarrock (Buffalo Tom: Taillights), heftige gitaarrock (Smashing Pumpkins) en fysieke explosie op het podium (Smashing Pumpkins en Jacques Brel).

NOTHING IS ON MY MIND (The Mudlarks, 1996)

Transgress the borderline
Hoping I’m right in time
Pretensions of progress still
In accordance to my will
The King has decreed the Law
In temporary flaw
With hindsight I obey
Still the question what I say

(refrein:)
Emptiness cools me
Holes in my memory
Black spots on the horizon
Eternal distance drives me:
Nothing is on my mind
There’s nothing that I can find
Nothing is on my mind
So lone

The dust has filled the sky
Distance means no reply
Forfeit my indulgences
Rows of fluids fill the track
Arrivals I don’t expect
Somewhere the way is lost
I long for biting, waning frost

 

 

 

Etiquettes, vooringenomenheid en decorumverlies

In 2006 was ik vijfenveertig jaar. Dat jaar verloor ik mijn dubbele inkomen. Ik had nog hoop om met mijn expertise snel ergens aan de bak te komen, maar toen al drong het tot me door dat ik te oud en te duur was om nog ergens binnen te komen, met de complicerende factor dat ik in de politiek gezeten heb en menig werkgever angstig is om met een ex-politicus een olifant in de porseleinkast binnen te halen. En zo is het “inkomenstechnisch” niet meer goed gekomen.

Nu ben ik wel gewend om te overleven, want als er in mijn eerste kinderjaren geen goede dokters met beroerde, maar wel effectieve paardenmiddelen waren geweest, had ik dit überhaupt niet kunnen schrijven. Het is daarom dat ik sindsdien – soms een tijdlang sterker, soms zwakker – het gevoel heb in een langdurige verlenging te leven. Het zal ertoe hebben bijgedragen dat ik in het circuit van Punk, Kraak en Junk verzeilde, wat niet zonder gevaren is: “Walking on the edge”, zogezegd.

Ik ben keurig opgevoed, zelfs een beetje kleinburgerlijk. Vooral bij mijn moeder speelde het een zekere rol, dat wanneer je iemand thuis had uitgenodigd, er een teruguitnodiging kwam en daarna van jouw kant weer een nieuwe; helemaal in evenwicht zeg maar. Zij wilde dat niet, maar werd daar door een paar zogenaamde “vriendinnen” wel steeds op gewezen. Als je je daar niet aan hield, liep je grote kans om als profiteur te worden afgeschilderd.

Ik heb dat natuurlijk meegekregen en het heeft even geduurd om er afstand van te nemen. Als puber of adolescent is de angst overgroot om zogenaamde vrienden kwijt te raken: pubers en adolescenten hebben grote behoefte om tot een “scene” te horen waar ze niet buiten willen vallen. Menschlich, allzumenschlich, er is vrijwel geen puber die anders denkt.

Het is misschien wel de generatie mensen die helemaal zijn ondergedompeld in een welvaartscultus, die zijn oorsprong vindt in de armoedigheid van een generatie eerder. Dat verklaart het materialisme van de naoorlogse periode tot aan ergens in de jaren 60 tot 80 en de opkomst van een tegenbeweging, die immateriële waarden veel belangrijker vond dan dat de uitruil van goederen precies in evenwicht moest zijn.

*

Ik ben een 0.9 socioloog en weet dat etiquettes, zeg de omgangsregels, per cultuur kunnen verschillen. In sommige culturen wordt het als een belediging ervaren als je iets gegeven wordt en er dan iets voor terug wilt geven. Het raakt aan hun trots als je door een tegengift de indruk wekt dat de ander zich daadwerkelijk het eten en het drinken uit de mond gespaard heeft om gastvrijheid te verlenen. Mag er gesproken worden over een “Europese waardengemeenschap”, dan is dat zeker waar, maar wel op een niveau dat in de alledaagse omgang niet alle kleine misverstanden vermijdt. In Nederland wil het ook wel botsen als de etiquettes van de ene tegenover de andere subcultuur niet helemaal op elkaar afgestemd zijn.

Zo gebeurde het, vorige week, dat ik als stamgast van een café, had afgerekend met de bedoeling naar huis te gaan, maar dat ik iemand op het terras trof die ik al een tijd niet had gesproken. Hij zei: “Kom er even bijzitten”. Ik zei: “Ja, dat wil ik wel, maar ik heb geen geld meer om iets te bestellen”. Hij zei: “Dan betaal ik wel.” Er luisterden andere stamgasten af.

Na vier traktaties en een goed gesprek ben ik huiswaarts gegaan en mijn gesprekspartner, die achterbleef, kreeg na mijn vertrek direct te horen hoe hij zich had laten vernaggelen door de “profiteur” die ik zou zijn. Daags erna heeft mijn gesprekspartner, die gewoonweg een vriend van mij is, gemeld dat hij na het aanhoren van die kritiek ook maar opgestapt is.

Nu is het zo, dat ik vanwege mijn uitermate beperkte budget inderdaad af en toe langs het terras loop in de hoop getrakteerd te krijgen. Als dat niet gebeurt, maar iemand wil wel met mij spreken, is dat geen enkel probleem. En ja, ik vind het ook moeilijk om dat gedrag te vertonen, maar ik durf wel te zeggen dat ik meer decorum heb dan die idioten die mij verwijten een profiteur te zijn. Ik nodig mijn weldoeners vrijwel altijd uit om bij mij te komen eten (ik kan goed en goedkoop koken) en dat is wat ik terug kan doen. Maar je zult net zien, dat mijn verwijters niet van lekker eten houden, als het ware eelt op hun tong hebben omdat zij niet eens meer eten vanwege hun eigen decorumverlies door overmatig alcoholgebruik. En beginnende Korsakov doet hen vergeten dat ik wel degelijk af en toe ook consumpties aan hen heb gegeven.

Afsluitend is het, meen ik, ook nog zo dat ik nog altijd beschik over een vrij groot en vooral breed sociaal netwerk. Ik ben alleenstaand, heb vaak de behoefte me onder de mensen te begeven en dat doe ik dan in mijn stamkroeg. Veelal tref ik daar wel iemand aan, waarmee ik dan een praatje maak en zelfs zonder het te vragen iets aangeboden krijg. Ik zeg dan wel altijd dat ik niks kan teruggeven. Maar ze blijven het doen. Het is misschien wat arrogant om te zeggen, dat mijn presentie vaak ook wel op prijs gesteld wordt, omdat ik altijd wel een inhoudelijk en onderhoudend verhaal te vertellen heb, wat mensen – sorry om te zeggen – met minder vertakkingen in het brein niet hebben. Ik vermoed dat mijn onderhoudendheid een reden is om mij te trakteren.

Het is een klassieke opvatting: de kroeg is het maaiveld waar niemand bovenuit mag steken, bij uitstek. Het heeft zijn charme uiteraard en soms kan je er erg goed “netwerken”. Dat doe ik dus ook en dat valt de losers in die kroeg op, omdat zij dat niet kunnen of durven. En dan worden ze heel onaangenaam tegenover je gedrag. Jaloezie, zeg maar.

Ik laat me echter niet wegjagen door zulke malloten.